12 14


Volgens het Verhaal heeft Saunière van drie schilderijen kopieën meegenomen uit Parijs. De eerste kon dank zij de tekst van het grote document worden vastgesteld: "Les Bergers d'Arcadie" van Nicolas Poussin. Er zijn twee schilderijen van Poussin met deze titel. De eerste versie is uit 1630, de tweede (en meest bekende) uit 1640. In Engeland bestaat een monument dat een gespiegelde kopie hiervan is. Begin jaren '70 werd ontdekt dat Poussin geometrische patronen in zijn werk heeft gebruikt. In 1994 werd ook nog ontdekt dat het schilderij oorspronkelijk hoger is geweest. In 1971 werd in de omgeving van Arques een graftombe ontdekt, sterk gelijkend op de tombe van Poussin’s schilderij. Ook de locatie vertoont gelijkenissen. Toen de vondst bekend werd, kwamen velen er op af. Omdat in 1988 een der "onderzoekers" explosieven gebruikte, liet de eigenaar de resten verwijderen.

Het duurde tot halverwege de jaren '90 voordat het tweede schilderij gevonden werd, waarvan Saunière een kopie had gekocht. Het was in de 17e eeuw gemaakt door David Teniers de Jonge. Van hetzelfde schilderij had Henri Lincoln in de jaren '70 al een kopie gevonden. Alleen is deze kopie kleiner, en wijken enkele details af. Ook het derde schilderij werd in de jaren '90 ontdekt. De maker ervan is onbekend. Alles wijst er op dat geometrie een belangrijke rol speelt in het Mysterie.


"Les Bergers d'Arcadie" van Poussin (1640)

"Verhoogde" versie

 


Tombe Poussin

Restant van de tombe

 


"St.Antonius en St.Paulus" David Teniers

Kopie David Teniers




De kroning van paus Celestinus V






Deel 3 - Hoofdstuk 9: Schilderijen.
    (complete tekst) 

"Le Trésor Maudit" blijkt een goede bron van informatie. De Franse tekst die uit het tweede document is ontcijferd spreekt van "Poussin en Teniers, die de sleutel houden". Samen met het verhaal dat Saunière kopieën van drie schilderijen uit het Louvre zou hebben meegenomen, geeft dit een goed aanknopingspunt. Of alles op waarheid berust, is niet zo zeer van belang. De aanwijzingen zijn het belangrijkst!


Nicolas Poussin.

Het eerste schilderij wordt praktisch met name genoemd: "Les Bergers d’Arcadie" van Nicolas Poussin. Deze Franse schilder leefde van 1593 tot 1665 en heeft voornamelijk in Italië gewerkt. Zijn onderwerpen hebben meestal een historische of mythologische achtergrond. Van 1640 tot 1642 werkte hij in Parijs aan de decoraties van het Louvre, in opdracht van Lodewijk XIII. - Een baan, waar overigens ook de Vlaamse schilder Anthonie van Dijck (tevergeefs) op solliciteerde.- Van "De Herders van Arcadië" heeft Poussin twee versies gemaakt. Het eerste schilderij is geschilderd rond 1630 en maakt nu deel uit van de Devonshire Collection in Chatsworth. Op het schilderij zijn herders afgebeeld die tot hun verbazing de tekst "Et in Arcadia Ego" lezen. Een vrouwfiguur kijkt enigszins verontrust mee over hun schouders. Net als bij Il Guercino staat de tekst op een graftombe met daar bovenop een schedel. De tweede, bekendste versie is gemaakt omstreeks 1640 en bevindt zich thans in het Louvre in Parijs. Ook hier is een aantal herders afgebeeld, wijzend naar de bekende tekst op een graftombe. Het grote verschil met de eerdere versie is dat de schedel is verdwenen, en de herders niet langer verbaasd zijn. Ook de vrouwfiguur (de Dood?) heeft een andere, meer berustende uitstraling.

In het Engelse Staffordshire is er bij Shugborough Hall een monument – "the Shepperd’s Monument"- dat een gespiegelde kopie is van de tweede versie van het schilderij van Poussin. Het is in de 18e eeuw gemaakt door Peter Scheepmakers. Alleen is de graftombe anders uitgevoerd, namelijk als de tombe uit de eerste versie. Onder het reliëf staan de letters "O.U.O.S.V.A.V.V.", met daaronder "D." en "M.". Deze zeer mysterieuze afkortingen heeft helaas nog nooit iemand kunnen verklaren. Van de eerste uitvoering van "Les Bergers" is overigens in Shugborough Hall een getekende versie te vinden, nu eigendom van de Hertog van Devonshire, eveneens uit de 18e eeuw. Blijkbaar waren de bewoners van het landgoed zeer geïnteresseerd in deze Poussins, want er is ook nog een portret te vinden van ene Lady Anson, in 1751 gemaakt door Thomas Hudson, waarop zij een kopie van de eerste Poussin in haar hand houdt. Lady Anson was de vrouw van Admiraal George Anson, met wie ze veel tijd doorbracht op het landgoed van de earls van Lichfield. De huidige earl, Patrick Lichfield, is een neef van koningin Elisabeth en woont op Shugborough Hall.

Begin jaren zeventig werden door het Louvre röntgenfoto’s van "Les Bergers d’Arcadie" gemaakt. Na het bestuderen van deze foto’s ontdekte Henri Lincoln dat Poussin zijn schilderij was begonnen met het uitzetten van de staffen van de herders, aangezien de graftombe aanvankelijk over een gedeelte van een staf heen was geschilderd. Door deze vondst werd het vermoeden gewekt dat ook in dit schilderij een verborgen geometrie aanwezig kon zijn. Hij liet het schilderij analyseren door professor Conford van het Royal College of Art, die een studie had gemaakt naar geometrische structuren in middeleeuwse schilderijen. Deze kwam tot de conclusie dat de opbouw van het schilderij pentagonaal was. Oftewel, volgens zijn analyse werd de maat van het schilderij gevormd door een pentagram, waarvan het centrum viel op het voorhoofd van de vrouwfiguur.

In 1994 werd in Parijs een grote overzichtstentoonstelling gehouden van het werk van Poussin. Om "Les Bergers d’Arcadie" goed te kunnen reinigen werd deze door de Réunion des Musées Nationaux, die ook de werken van het Louvre beheert, uit de lijst gehaald. Daarbij bleek dat een gedeelte van het schilderij door de lijst aan het zicht onttrokken was. Oorspronkelijk moet het het schilderij een stuk hóger zijn geweest dan de versie die thans te zien is (volgens het R.M.N. 85 x 121 cm). De vraag wie verantwoordelijk is geweest voor deze verandering zal waarschijnlijk nooit kunnen worden beantwoord. Het vermoeden bestaat dat dit in opdracht van koning Lodewijk XIV is gebeurd. De originele, "verhoogde" uitvoering van het schilderij stelde de schrijvers Andrews en Schellenberger in staat om een, naar hun mening, exacte analyse uit te voeren. Het gevolg was een zeer complex geheel aan diagrammen, dat hen -zoals u weet- uiteindelijk zou brengen tot de lokalisering van de "schat".


De graftombe.

In 1971 werd (op aanwijzingen van Gérard de Sède) in de buurt van Rennes-le-Château een graftombe ontdekt. Hij stond langs de weg bij "Les Pontils", ergens tussen de dorpjes Serres en Arques. Deze tombe bleek exact dezelfde te zijn als die op "Les Bergers d’Arcadie" uit 1640 van Poussin. Bovendien werd ontdekt dat niet alleen de tombe dezelfde was, maar ook de locatie, getuige de overeenkomst van het landschap op de achtergrond. Natuurlijk trok de publicatie van deze vondst talloze schatgravers aan. Behalve de lichamen van de vrouw en de moeder van de voormalige eigenaar van het stuk land, werd er echter niets gevonden. Maar nieuwsgierigen zorgden voor steeds meer overlast. Toen een van de "onderzoekers" zelfs explosieven gebruikte, werd het de huidige eigenaar te veel, en liet in 1988 de resten van de tombe verwijderen. Overigens was deze tombe niet de originele. Deze was in de 17e eeuw vernietigd in opdracht van Lodewijk XIV. De reden hiervoor kan misschien door het volgende worden verklaard.

Nicolas Foucet, financieel deskundige aan het hof van deze koning, kreeg in 1656 een brief van zijn broer, die abt was in Rome. Deze abt had onlangs bezoek gehad van Nicolas Poussin. In de brief staat een merkwaardige passage: "De heer Poussin … en ik hebben bepaalde zaken besproken die ik je graag uit de doeken zal doen. Zaken die je, via Poussin, voordelen kunnen brengen die zelfs koningen met moeite van hem gedaan zouden krijgen en die volgens hem misschien niemand anders in de komende eeuwen zal ontdekken. En wat meer is, de kwestie vraagt weinig kosten en kan zelfs in winst worden omgezet, en deze zaken zijn zo moeilijk te ontdekken dat niets op deze aarde van meer waarde of zelfs gelijke waarde kan zijn"… Een aantal jaren later kocht Lodewijk XIV "Les Bergers d’Arcadie", liet het in zijn kelders opbergen, en gaf opdracht de tombe te vernietigen. De tombe die tot 1988 bij Les Pontils te zien was, was waarschijnlijk gebouwd eind 19e eeuw. Wie de bouwers waren is niet bekend.


David Teniers.

Omdat het Verhaal niet vermeldt om welk schilderij het gaat, zoals bij dat van Poussin, was het opsporen van het schilderij van Teniers een langdurige zaak. Er zijn twee schilders die David Teniers heten: "de Oude" en "de Jonge", de vader en de zoon. De vader leefde van 1582 tot 1649 en woonde bijna continue in Antwerpen, waar hij voornamelijk bijbelse taferelen en landschappen schilderde. Zijn zoon, en leerling, leefde van 1610 tot 1690 en woonde eveneens hoofdzakelijk in Antwerpen. Zijn schilderijen gingen aanvankelijk over het boerenleven, maar later schilderde hij ook bijbelse taferelen en interieurs van schilderijenzalen. Hij was een zeer productieve schilder, in zijn leven maakte hij meer dan tweeduizend schilderijen.

Halverwege de jaren negentig gingen Andrews en Schellenberger op zoek naar het schilderij van Teniers. Al gauw bleek dat het door Teniers de Jonge gemaakt moest zijn. De zoektocht die volgde eindigde in de Western Art Library van het Ashmolean Museum in Oxford. Daar stuitten zij op het schilderij "Sint Antonius en Sint Paulus". Het had op het kasteel van de tweede Lord Palmerston gehangen en was in 1942 aangekocht door Edwina Ashley, oftewel gravin Mountbatten. Het schilderij stelt Sint Antonius de Kluizenaar en Sint Paulus de Kluizenaar voor. Antonius de Kluizenaar leefde van 250 tot 355 in Egypte. Een groot deel van zijn leven bracht hij in eenzaamheid in de woestijn door. De laatste fase van zijn leven was hij weer onder de mensen en bestreed vooral het arianisme. Hij is op schilderijen o.a. te herkennen aan zijn staf en aan een "T" (de Griekse letter tau). - Vaak wordt hij verward met Antonius van Padua die in 1220 toetrad tot de orde der Franciscanen en predikte tegen de leer van de Albigenzen. - De andere Kluizenaar is Paulus van Thebe, die in Egypte leefde van 228 tot 341. Hij bracht 60 jaar door in de woestijn en werd vlak voor zijn dood door Sint Antonius gevonden. Pas na het verschijnen van hun boek, waarin uiteraard de geometrische patronen van het schilderij werden onthuld, werd bekend dat Henri Lincoln al twintig jaar eerder een kopie van "St.Antonius en St.Paulus" onder ogen was gekomen. Het schilderij heette "Elijah and Elisha being fed by the ravens", en bevond zich op Shuborough Hall. Alleen is het schilderij wat kleiner en zijn er een aantal subtiele verschillen met het origineel zichtbaar.


Celestinus V.

Ook bij het zoeken naar het schilderij van Celestinus V hadden Andrews en Schellenberger succes. Omdat het niet bekend was door wie het geschilderd is, vonden zij halverwege de jaren negentig een schilderij van Celestinus bij de anonieme werken, achter in een catalogus van het Louvre. In de archieven van de Réunion des Musées Nationaux, de Vereniging van Nationale Musea die ook alle werkstukken van het Louvre bijhoudt, vond een enthousiaste medewerker het bijhorende negatief. Het bleek een schilderij te zijn van de kroning van paus Celestinus V, waarin de schrijvers opnieuw stuitten op geometrische patronen.

Zo veel als er bekend is van de vorige twee schilderijen, zo weinig is er bekend van dit schilderij. Waarschijnlijk werd het eind 16e eeuw gemaakt. Over Celestinus V zelf is wel het een en ander bekend. Het is de Italiaanse kluizenaar Pietro da Murrone (1215-1296), die in 1254 de orde der "Celestijnen" had opgericht. Hun abdij stond op de berg Murrone in de Abruzzen. In 1294 werd hij tegen zijn zin in tot paus Celestinus V gekozen, hetgeen op het schilderij wordt afgebeeld. Na vijf maanden stopte hij al met dit ambt om weer kluizenaar te worden. Om een schisma te voorkomen hield zijn opvolger Bonifatius VIII hem tot zijn dood gevangen. In 1313 werd hij door paus Clemens V op verzoek van Filips IV de Schone heilig verklaard.