12 14


Het Geheim van Blanchefort.

Intro.

Duizenden uren heeft het mij gekost aan lezen, reizen, bezichtigen, meten, fotograferen, analyseren, berekenen, bespreken, opschrijven en tenslotte deze website maken. Maar het was de moeite waard. Ik beschrijf u hoe ik in staat was om als "buitenstaander" een groot Geheim te weten te komen, dat al meer dan 800 jaar slechts aan een selecte groep "ingewijden" bekend is. Ik nodig u uit om de zoektocht stap voor stap te beleven zoals ik die heb meegemaakt. Via het "Mysterie van Rennes-le-Château" komt u bij mijn eigen onderzoek, hetgeen geleid heeft tot wellicht schokkende conclusies…

Voorwoord.

In de zomer van 1969 komt een Britse journalist en programmamaker van de BBC op zijn vakantie in Zuid-Frankrijk een boekje tegen, "Le Trésor Maudit", geschreven door ene Gérard de Sède. Het boekje handelt op het eerste gezicht over een pastoor van een klein dorpje in Frankrijk, die een schat ontdekt en daar zeer rijk van wordt. De journalist, Henri Lincoln, ontdekt in het boekje een verborgen code. Hij gaat wat dieper op deze vondst in en stuit al gauw op allerlei vreemde zaken. Hij maakt er in de jaren zeventig een drietal korte documentaires over, waarop veel reacties komen van kijkers. Velen doen hem suggesties over een mogelijke oplossing van het Mysterie en zelf gaat hij natuurlijk ook verder met zijn onderzoekingen, terwijl de materie steeds complexer wordt. Hij publiceert zijn ontdekkingen in 1982 in het wereldwijd uitgebrachte boek "Het Heilige Bloed en de Heilige Graal". De Nederlandse vertaling hiervan wordt in 1988 uitgegeven.

Sinds die tijd zijn er vele boeken over dit onderwerp geschreven. Begin jaren negentig maakt Lincoln in samenwerking met de Deense televisie een uitgebreide documentaire, die nog steeds af en toe (verkort) wordt uitgezonden. Ook verschijnen ieder jaar nieuwe boeken die op een of andere manier betrekking hebben op het Mysterie. Ieder boek verschaft weer een eigen interpretatie van de "feiten". Sommige schrijvers gaan erg ver met hun conclusie. Maar of dat ook de waarheid is, kan worden betwijfeld. Eén ding is zeker, iedere nieuwe publicatie is weer een stap dichter bij de oplossing van het raadsel. De website begint met het Verhaal van de pastoor en beschrijft een aantal ontdekkingen die de afgelopen decennia gedaan zijn. Om te verduidelijken waar het Verhaal en de bijkomende onderwerpen over gaan, wordt de tekst begeleid door vele foto’s en illustraties. Voor uitgebreide vertellingen betreffende het mysterie en meer achtergrondinformatie verwijs ik u naar de bronvermelding in de Bijlage. Vervolgens brengen mijn eigen verhaal en ontdekkingen u bij een Geheim, dat waarschijnlijk het best bewaarde geheim van de afgelopen twee millennia is. U zult zien, en zelf kunnen controleren, hoe dit Geheim op een ongelooflijke manier voor het nageslacht bewaard is gebleven. Niet voor iedereen, maar slechts voor een selecte groep ingewijden. Niet alleen in de Middeleeuwen, maar tot in onze tijd aan toe.

Inhoudsopgave.

Het "Het Geheim van Blanchefort" bestaat uit 22 hoofdstukken, verdeeld over 6 delen. Deze printversie (± 70 pagina's A4) is zonder illustraties die de tekst verduidelijken. Indien nodig, dan zijn deze te zien op blanchefort.nl

Voorwoord
Inleiding

Deel 1: Mysterie   Bérenger Saunière (Hoofdstuk 1)

Deel 2: Achtergronden   Geschiedenis (Hoofdstuk 2), Tempeliers (3), Katharen (4), Blanchefort (5)

Deel 3: Onthullingen   Prieuré de Sion (Hoofdstuk 6), Perkamenten (7), Graf Marie de Negri (8), Schilderijen (9), Geometrie (10)

Deel 4: Eigen onderzoek   Geografische geometrie (Hoofdstuk 11), Blanchefort-geometrie (12), De schilderijen (13), De documenten (14)

Deel 5: De oorsprong  Meer schilderijen (Hoofdstuk 15), Onderzoek ter plekke (16), Het Kerkenpatroon (17), De bouwers (18)

Deel 6: Het Geheim
   Religie (Hoofdstuk 19), Het lege graf (20), Rozenkruisers (21), Conclusie (22)

Nawoord
Bijlage

 

Inleiding.

Hoe rustig was het die namiddag in het dorpje Rennes-le-Château. Op een paar dorpsbewoners na was het zo goed als verlaten.

Vrienden van ons hadden in juli 1989 in Zuid-Frankrijk een huisje gehuurd en ons uitgenodigd om samen met hen de vakantie daar door te brengen. Het gebied was niet toevallig gekozen. Zij hadden "Het Heilige Bloed en de Heilige Graal" van Henri Lincoln gelezen, en wilden het dorpje en andere locaties, die in het boek beschreven worden, bezoeken. Tijdens de vakantie vertelden zij over de inhoud van het boek, zodat het Verhaal ons in grote lijnen bekend was. Die dag bezochten wij de Montségur. Een bezoek aan dit Katharen-bolwerk is zeer indrukwekkend. Niet alleen fysiek door de steile klim via het kronkelende pad, waar de zon pal op staat. Maar ook geestelijk, als je je bedenkt wat zich hier allemaal heeft afgespeeld in een ver verleden. Er hangt een mystieke sfeer, er hangt een serene rust. Er wordt niet gerend, er wordt niet geschreeuwd. Iedereen voelt dat dit een bijzondere plaats is.

Daarna gingen we naar Rennes-le-Château. We parkeerden onze auto aan de rand van het dorp en gingen lopend verder. De drie kleine kinderen liepen vooruit. Toen we even later een hoek omliepen zagen we ze alle drie op een bankje zitten boven een steile rotswand. Ze zaten te genieten van het weidse uitzicht en van de talrijke bliksemflitsen in de verte. Een mooiere binnenkomer kan je je niet wensen! We liepen door het dorpje heen en bekeken het grote huis, dat naast de kerk staat. We wandelden door de bijbehorende tuin met zijn grote ronde vijver, en kwamen aan bij de kerk die naar Maria Magdalena was genoemd. De buitenkant viel op door zijn opzichtige, kitscherige versiering. We liepen naar binnen. Bij de ingang stond een afzichtelijk beeld van een duivel, niet bepaald uitnodigend. Het gebouw bleek vrij somber, met een bontgekleurde statieweg aan de muren. Twee mannen waren bezig met het verplaatsen van een elektrisch orgel. We wisten niet wat we van dit alles denken moesten. We gingen weer naar buiten. Achter de kerk lag het kerkhof. Vluchtig keken we rond en bezochten het graf van de pastoor. Het begon al schemerig te worden. Omdat we nog een eind moesten rijden naar ons huisje, besloten we om in het dorp te blijven eten. Het restaurant lag halverwege de kerk en het vervallen kasteel, dat we overigens niet hadden bezocht. De naam van het restaurant was "La Table d’Asmodée". Het eten was lekker en de eigenaar en zijn vrouw zeer vriendelijk. Er hingen zelfgemaakte grote foto’s van het dorp aan de wanden. Eén ervan herkenden we als het lelijke beeld van de duivel bij de ingang van de kerk. Dit bleek "Asmodeus" te zijn, de hoeder van alle geheimen. Nu is het natuurlijk erg vreemd als er bij de ingang van een kerk een beeld van de duivel staat. We hadden het dorp en de kerk bezocht en vele dingen bekeken. Maar eigenlijk hadden we, in onze onwetendheid, niet zoveel echt gezien. Pas later leerden we dat je, vooral in Rennes-le-Château en omgeving, goed op de details moet letten. Want daar is niets aan het toeval overgelaten.

Toen ik weer thuis was begon ik zelf "Het Heilige Bloed en de Heilige Graal" te lezen. Het bleek zeer spannend. Ook de boeken betreffende bijkomende onderwerpen waren zeer interessant. En met een betere kijk op het mysterie en met een vergrote kennis bezochten we in 1991 "Rennes-le-Château" voor de tweede keer. We waren op vakantie in Varilhes, nabij Foix. Via het "ketterdorp" Montaillou reden we naar Rennes-le-Château. Het was al een stuk drukker, vergeleken met ons eerste bezoek. Het grote huis naast de kerk was een museum geworden met allerlei wetenswaardigheden over het leven van de pastoor. De tuin met de ronde fontein was omgebouwd tot terras. En terwijl wij twee jaar daarvoor in Frankrijk tevergeefs zochten naar nog meer boeken over het mysterie, was er nu een gespecialiseerde boekwinkel in het dorp. De commercie had duidelijk toegeslagen. Hierdoor afgeschrikt werd ons bezoek aan het dorp wat korter dan we aanvankelijk van plan waren geweest. Uiteraard hebben we wel alle details, waarover we gelezen hadden, met eigen ogen kunnen aanschouwen en hebben we het museum bezocht. Maar toch waren we minder enthousiast vanwege de drukte (wat natuurlijk nergens op sloeg, want wij waren zelf één van de velen). Achteraf ben ik wel blij dat we destijds het dorp nog min of meer in oorspronkelijke staat hebben gezien.

Weer terug in Nederland stortte ik mij op nog meer boeken over het Mysterie van Rennes-le-Château. Er werden steeds meer ontdekkingen gedaan en steeds meer publicaties volgden. Zo werd o.a. melding gemaakt van geografische geometriëen die in het gebied gevonden waren. Ook in andere vormen bleek de geometrie een belangrijk aspect. En tenslotte leidde de geometrie velen naar de locatie van de "schat". Of het allemaal waar is wat er geschreven wordt, zal de toekomst uitwijzen. De vele publicaties hebben er in elk geval voor gezorgd dat het in Rennes-le-Château steeds drukker wordt. In Frankrijk is een enorme markt ontstaan voor magazins met informatie over het mysterie en de bijkomende onderwerpen.

Maar ondanks dat maakten we eind 1998 plannen om in de zomer van het jaar daarop weer een vakantie door te brengen in de omgeving van het dorp. Als voorbereiding op deze vakantie besloot ik om de kaart van het gebied nog eens goed te bestuderen. De publicaties over de geometrische patronen hadden altijd mijn interesse gewekt. Van alle "feiten" en "bewijzen" die ik al jarenlang onder ogen kreeg, waren de geometrische patronen voor mij de belangrijkste. Ongelovig als ik ben, heb ik iets "tastbaars" nodig om overtuigd te raken. Je kan met je eigen ogen en met je eigen passer en liniaal controleren of het beweerde juist is. En wat is er overtuigender dan de gedetailleerde Top 25 kaarten van het Institut Géographique National ? Ik gebruikte ze altijd voor mijn wandel- en fietstochten tijdens mijn vakanties in Frankrijk. Zoekende op de kaart naar "nieuwe" (nog niet gepubliceerde) geometrische figuren viel mij een bijzonder patroon op. Dat deze, op zich eenvoudige vondst grote gevolgen zou hebben kon ik toen nog niet vermoeden... Wat ik ontdekte zal ik u nu nog niet vertellen. Ik zou het immers zelf ook nooit hebben kunnen ontdekken, als ik niet goed op de hoogte was geweest van het verhaal en van zijn achtergronden. Vandaar nu allereerst het Verhaal van de pastoor.

 

Deel 1: Het Mysterie van Rennes-le-Château.

Het mooie van een mysterie
is het geheim wat er in verborgen is
en niet de waarheid die het verbergt

Eric-Emmanuel Schmitt (1998)

 

Het Levensverhaal van Bérenger Saunière.

De pastoor om wie het allemaal gaat in "Le Trésor Maudit", het al eerder genoemde boekje dat door Henri Lincoln was gekocht, is Bérenger Saunière. Over zijn leven is veel geschreven, maar van diverse verhalen is het moeilijk om te achterhalen of ze nu wel of niet op waarheid berusten. Veel schrijvers spreken elkaar regelmatig tegen, waardoor het een probleem wordt te bepalen wat er nou echt gebeurd is. De (bouw)resultaten van zijn werk in het dorp, de vele foto’s die er van hem zijn gemaakt en de feiten die zijn opgedoken in de diverse archieven kunnen als goede bronnen beschouwd worden. Andere bronnen, die subjectiever zijn en daardoor misschien minder betrouwbaar, zijn de verhalen van tijdsgenoten en van de bewoners van het dorp. Als laatste bron van informatie kunnen publicaties, zoals bovengenoemd boekje van Gérard de Sède, genoemd worden. Over wie (of wat) er nu precies verantwoordelijk is voor deze laatste bron, vertel ik u later meer. Afgezien van de (on)betrouwbaarheid van de diverse bronnen zal ik u het Verhaal vertellen zoals het in grote lijnen algemeen aanvaard is.

Bérenger Saunière werd op 11 april 1852 geboren in Montazel, een dorpje vlak bij Rennes-le-Château. Na zijn studie aan het seminarie van Carcassonne werd hij in 1879 tot priester gewijd. Na drie jaar als kapelaan in Alet-les-Bains te hebben gewerkt werd hij in 1882 aangesteld als pastoor van het dorpje Le Clat. Vanaf 1 juni 1885 bekleedde hij diezelfde functie in Rennes-le-Château. Omdat hij later dat jaar tijdens een preek een anti-republikeins pamflet voorlas, diende een toehoorder een klacht in en werd hij uit zijn ambt gezet. Een jaar lang werkte hij als leraar op het seminarie van Narbonne, terwijl zijn kerkelijke uitkering van 450 FF per jaar werd stopgezet. Per 1 juli 1886 werd hij opnieuw benoemd tot pastoor van Rennes-le-Château. Nu was het kerkje van dit dorp al zeer oud. Het was in 771 gebouwd op de fundamenten van een gebouw van de Visigoten uit de zesde eeuw. In 1059 was het gewijd aan Maria Magdalena. Nadat het gebouw door plunderingen vervallen was, werd het in de vijftiende eeuw opnieuw gerestaureerd. Tegen de tijd dat Saunière pastoor werd, was de kerk opnieuw in slechte staat. Vandaar dat hij in 1887 begon met een hoognodige restauratie. Deze was mogelijk geworden door een schenking van 3000 Frank van de gravin van Chambord, een dochter van Frans IV van Habsburg. Haar man, de graaf van Chambord, maakte tot zijn dood in 1885 aanspraak op de kroon van Frankrijk. Hij zou geregeerd hebben als Hendrik V. Tijdens de werkzaamheden aan de kerk werd in 1891 een vijftal perkamenten gevonden, naar men zegt in een van de pilaren waarop het altaar rustte. Twee perkamenten zouden stambomen bevatten, één uit 1244 met het zegel van Blanche de Castille en één uit 1608, samengesteld door François –Pierre d’Hautpoul. Op het derde perkament zou het testament van Henri d’Hautpoul uit 1695 staan. De laatste twee perkamenten zijn documenten met Latijnse bijbelteksten. Sommige bronnen vermelden dat er slechts vier perkamenten gevonden zouden zijn. Het verschil wordt verklaard door het feit dat de laatstgenoemde twee documenten oorspronkelijk op één perkament geschreven waren: één document op de voorkant en één op de achterkant. De ontwerper van deze documenten was, naar men zegt, Antoine Bigou, die ze in 1780 had vervaardigd. Bigou was destijds pastoor van Rennes-le-Château en bovendien de persoonlijke kapelaan van de adellijke familie Blanchefort, die op het kasteel woonde. Bij het uitbreken van de Franse Revolutie in 1789 verstopte Bigou de perkamenten in de kerk en vluchtte naar Spanje.

In 1892 ging Saunière, waarschijnlijk op aanraden van bisschop Billard van Carcassonne, naar het seminarie van St.Sulpice in Parijs om de documenten te laten onderzoeken. Hoewel deze reis naar Parijs vaak wordt ontkend, is zijn naam in het register van de missen uit die tijd terug te vinden. Het schijnt dat hij daar contact had met een groep mensen die zich met esoterie en occultisme bezig hield. Onder hen bevonden zich de componist Claude Debussy en de destijds beroemde operazangeres Emma Calvet (die zich later overigens Calvé noemde). In deze kringen verkeerden ook de student theologie Emile Hoffet en Joseph Péladan. Deze laatste had in 1890 de "Orde van het Katholieke Rozekruis, de Tempel en de Graal" opgericht. Het verhaal gaat dat Saunière, voordat hij na een dag of vijf weer naar huis ging, bij het Louvre reproducties kocht van drie schilderijen, o.a. van Poussin en Teniers. Terug in Rennes-le-Château ontwikkelde zijn leven zich in bijzondere mate. Hij begon een uitgebreide correspondentie met mensen uit diverse landen. En regelmatig kreeg hij bezoek van beroemdheden zoals genoemde Emma Calvé, van de Franse minister van cultuur en van de aartshertog Johan van Habsburg. Natuurlijk ging hij ook verder met de restauratie van de kerk. Hier bracht hij vele opmerkelijke versierselen aan, zoals het genoemde beeld van Asmodeus en een kruiswegstatie met allerlei vreemde afwijkende voorstellingen. Boven de ingang van de kerk plaatste hij de weinig uitnodigende tekst: "Terribilis est locus iste", "Deze plaats is verschrikkelijk". Ook op andere plaatsen zijn vreemde inscripties en onoplosbare afkortingen te vinden. In zijn vrije tijd maakte hij lange wandelingen met zijn huishoudster Marie Denarnaud. Naar eigen zeggen om stenen te verzamelen. Een aantal daarvan heeft hij gebruikt voor een tweetal grotten in de tuin naast het kerkhof, waarvan de reproducties te bezichtigen zijn.

Ook het kerkhof kreeg een opknapbeurt. De indeling werd veranderd en een aantal graven werd verplaatst. Eén en ander riep wel veel vraagtekens op. Vooral het feit dat hij de inscripties zou hebben vernietigd van het graf van Marie de Negri. Zij was de laatste telg van het geslacht Blanchefort en was in 1781 op 17 januari, de feestdag van St.Sulpice en van St.Antonius, overleden. Zij werd begraven op het kerkhof van Rennes-le-Château. De ontwerper van haar grafstenen was, net als van de documenten, pastoor Antoine Bigou. Vooral vanaf 1896 begon Saunière veel geld uit te geven. Hij kocht stukken grond in het dorp, en liet diverse bouwwerken maken en parken aanleggen. Tegenover de pastorie kwam een groot vrijstaand huis, de "Villa Béthania", genoemd naar de plaats waar Lazarus woonde en waar Maria Magdalena de voeten van Jezus waste. (In het kerkje is in een van de ramen dit tafereel afgebeeld.) Overigens bleef Saunière zelf in de pastorie wonen en gebruikte de Villa voor zijn gasten. De tuin tegenover de Villa voorzag hij van een grote ronde vijver. Aan de rand van het dorp liet hij een kasteelachtige toren bouwen, de "Tour Magdala". Hier richtte hij later zijn bibliotheek in. Vanaf deze toren liep een belvédère naar een grote glazen kas, de "Tour en Verre". Voor het geheel kwam een park. Ook de bewoners van Rennes-le-Château werden niet vergeten. Zo liet hij de weg naar het dorp asfalteren en bouwde hij een watertoren zodat een ieder over waterleiding beschikte.

Geld was er blijkbaar genoeg. Mgr. Beauséjour, de opvolger van bisschop Billard, wilde graag weten waar Saunière het geld vandaan haalde en verdacht hem ervan dat hij van zijn kerkdiensten een handel had gemaakt. Het antwoord was dat de inkomsten afkomstig waren van de collectes en van diverse schenkingen. De bisschop nam hier geen genoegen mee, vooral niet omdat Saunière weigerde om de namen van zijn donateurs te noemen. Op het verzoek om een overzicht van de uitgaven voor de bouwwerkzaamheden en de restauraties te geven werd door Saunière een lijst ingediend met dermate hoge bedragen dat Beauséjour zich waarschijnlijk misleid en geminacht voelde. Daarom werd hij vanaf 1909 uit zijn ambt gezet. Hoewel zijn advocaat, Huguet, zelfs in Rome nog geprobeerd heeft om de zaak te verdedigen (op kosten van Saunière), is de schorsing nooit meer ongedaan gemaakt. Hij bleef wel in het dorp wonen maar moest zijn functies aan een ander overlaten. Op 17 januari (!) 1917 werd Saunière getroffen door een beroerte. Het schijnt dat zijn huishoudster vijf dagen daarvoor een doodskist voor hem had besteld. Een priester die was gekomen om de laatste sacramenten toe te dienen, weigerde dit te doen, nadat hij de biecht had gehoord. Op 22 januari stierf Saunière. Dorpsbewoners vertelden later dat de priester, voordat hij op het kerkhof van Rennes-le-Château werd begraven, op een stoel bij de Tour Magdala werd gezet met een kleed om zich heen met allerlei kwastjes er aan. De dorpelingen liepen één voor één langs hem heen en namen een kwastje mee. Zo is het leven van Bérenger Saunière tot het laatste toe niet het leven geweest van een doorsnee pastoor.

Na zijn dood bleek dat alles op naam stond van zijn huishoudster, Marie Dénarnaud. Zij leefde al vanaf 1890 bij hem in de pastorie, maar verhuisde nu naar de Villa Béthania. Ook over Marie doen vreemde verhalen de ronde. Zo zou zij een keer gezegd hebben dat "de inwoners van Rennes-le-Château op goud lopen, zonder het te weten". En dat "Saunière genoeg geld had om het dorp honderd jaar lang rijk te houden en dan was het nog niet op". Ook gaat het verhaal dat men haar, toen er in 1946 in Frankrijk nieuwe bankbiljetten ingevoerd werden, grote stapels geld had zien verbranden. Waarschijnlijk was zij hierdoor gedwongen om de Villa te verkopen. De nieuwe eigenaar werd Noël Corbu. Marie mocht van hem in de Villa blijven wonen, en leidde een sober leven. Ze had aan Corbu beloofd hem voor haar dood het geheim te onthullen. Echter, op 29 januari 1953 kreeg zij een beroerte waardoor zij verlamd raakte en niet meer kon praten. Kort daarna stierf zij en nam het geheim mee in haar graf. Ze werd begraven op het kerkhof van Rennes-le-Château, naast Saunière.

In 1954 startte Noël Corbu in Rennes-le-Château het hotel "La Tour". In zijn vrije tijd ging hij zich bezig houden met het ontrafelen van het mysterie. In 1956 schakelde hij de plaatselijke krant "La Dépêche du Midi" in en schreef artikelen over het geheim van de pastoor. Op deze wijze kwam het verhaal voor het eerst in de openbaarheid. Pas met het uitzenden van de documentaires van Henri Lincoln en vooral met het verschijnen van zijn boek "Het Heilige Bloed en de Heilige Graal" in 1982, maakte het grote publiek kennis met het Mysterie van Rennes-le-Château. Een mysterie, waar velen zich sinds die tijd mee bezig houden en waar velen menen een oplossing voor gevonden te hebben.

Maar wat is die oplossing? Heeft Saunière werkelijk een schat gevonden? En is deze mogelijkheid reëel? Om deze vragen te beantwoorden is het nodig om de geschiedenis van Rennes-le-Château en omgeving wat nader te bekijken. 


Deel 2: Achtergronden.

De mogelijkheid dat Saunière een schat had gevonden maakte het Mysterie uiteraard aantrekkelijk voor schatzoekers. Velen kwamen naar het dorp en zijn omgeving, maar gingen niet altijd voorzichtig te werk. Al in 1965 werd er bij de ingang van het dorp een bord geplaatst met de tekst: "Verboden opgravingen te doen". Toch is de mogelijkheid van een schat niet zo vreemd. Aan de hand van de geschiedenis van het gebied zal ik aantonen waarom.

Deel 2 - Hoofdstuk 2: De geschiedenis van het gebied.

De vraag hoe Saunière aan zijn geld kwam is nog nooit goed beantwoord geweest. Ook niet door hem zelf. Op verzoek van bisschop Beauséjour diende hij een lijst in, waarschijnlijk op aanraden van zijn advocaat, met daarop de bedragen die uitgegeven zouden zijn voor de restauraties en de andere bouwwerkzaamheden. Deze lijst vermeldt een totaalbedrag van 193.093 FF, waarvan de Tour Magdala (40.000) en de Villa Béthania (90.000) de grootste posten zijn. Omgerekend naar onze tijd komt het totaal overeen met ongeveer 1,2 miljoen euro. Zoals gezegd werd Saunière ervan verdacht dit bedrag bewust te hoog te hebben gemaakt. Zo zou de schenking van de gravin van Chambord ook niet 3000 maar 1000 FF zijn geweest. Ook maakte het in verhouding hoge bedrag van 11.200 FF, uitgetrokken voor de aanschaf van de Calvaire in zijn tuin, de bisschop argwanend. Maar waarom deze verhogingen? Als ik zijn advocaat was geweest, zou ik het bedrag juist te lààg hebben gemaakt om aan te tonen dat het wel mee viel met zijn uitgaven. Misschien heeft Saunière hiermee aan willen geven dat hij op dit punt ongrijpbaar was. Behalve de uitgaven waren de inkomsten die hij opgaf ook hoog. De officiële stukken van het proces tegen hem tonen aan dat er aan schenkingen 82.100 FF is binnengekomen. Hoewel ik betwijfel of hij werkelijk al zijn inkomsten heeft opgegeven, is dit bedrag zeer behoorlijk te noemen: omgerekend ongeveer een half miljoen euro. Hiermee vergeleken is het bedrag van 450 FF per jaar, dat hij van de kerk kreeg, een druppel op een gloeiende plaat te noemen. In zijn 23 jaar priesterschap was zijn stipendium, omgerekend, nog geen 7300 euro.

Maar er was nog een andere geldstroom. Uit later teruggevonden financiële gegevens is gebleken dat Marie Denarnaud, net als bisschop Billard overigens, grote sommen geld van Henri Boudet, collega-pastoor van Rennes-les-Bains, had ontvangen. Hierbij worden bedragen genoemd, die vele malen groter zijn dan bovengenoemde cijfers. Tussen 1891 en 1901 zou Boudet 3.679.431 FF naar de huishoudster hebben overgemaakt! Alleen in de periode dat beide pastoors, waarschijnlijk door een meningsverschil, geen contact meer met elkaar hadden, viel de geldstroom weg. Vlak voor zijn dood in 1915 herstelde Boudet de vriendschap weer, waarna het geld opnieuw binnenstroomde. Ondanks het feit dat waarschijnlijk Boudet de grote man achter de schermen was, stond Saunière in het middelpunt van de belangstelling en gingen velen er van uit dat hij inderdaad een schat had gevonden. Sinds het bekend worden van het verhaal en van de rijkdom van de pastoor trokken er velen op uit om op zoek te gaan naar de schat. Helaas waren dit geen deskundige archeologen, maar geldbeluste schatgravers die in het wilde weg gingen graven. Dat dwong de gemeente Rennes-le-Château al in 1965 tot het aannemen van een wet die het graven in het dorp verbood. Ook nu nog staat er bij de ingang van het dorp een groot bord met de tekst "fouilles interdites".

Maar op zich zouden deze lieden wel gelijk kunnen hebben en is de optie dat er een echte schat met goud en juwelen verborgen is reëel. Want het gebied rond Rennes-le-Château, de Razès genaamd, heeft in het verleden zeer machtige bewoners gehad. Al van oudsher wonen er mensen. Opgravingen hebben sporen van bewoning aangetoond, die ouder zijn dan 3000 jaar. Rond 300 voor Christus leefden hier de Kelten die de streek beschouwden als een heilige plaats. Rennes-le-Château is dan ook genoemd naar een van hun stammen, de Redones. Ook de Romeinen hebben het gebied lange tijd bezet. Er zijn resten te zien van Romeinse wegen en munten gevonden van verschillende keizers. De meeste vondsten zijn gedaan nabij het naburige Rennes-les-Bains, waar de Romeinen door de aanwezigheid van een aantal natuurlijke bronnen een badplaats hadden gesticht.

De Tempelschat.

In 1947 werd ten oosten van Jeruzalem, hoog boven de oevers van de Dode Zee een groot aantal rollen gevonden. Deze rollen, van leer en papyrus, zaten in aardewerken vazen, die in diverse grotten verborgen waren. De meeste rollen waren erg versnipperd, maar na jarenlang intensief puzzelwerk bleken ze o.a. bijbelse teksten te bevatten. De ouderdom van deze als Dode-Zeerollen bekend geworden manuscripten werd geschat op 2000 jaar en ouder, variërend van de 4e eeuw voor tot de 1e eeuw na Christus. In de jaren vijftig werd Qumran blootgelegd, de nederzetting waar de gemeenschap die verantwoordelijk was voor de teksten, geleefd heeft. Er zijn vele munten gevonden, waarvan de meeste uit de periode 103 voor tot 68 na Christus. In 1952 werd ook een rol gevonden van opgerold koper. Na een paar jaar onderzoek bleek dat de teksten die hier op stonden, handelden over een grote schat, waarvan de inhoud en de plaatsen waar hij verborgen was, beschreven werden. In totaal zou de schat 60 ton zilver en 26 ton goud bevatten. Zoektochten naar de schat hebben niets opgeleverd, omdat de genoemde plaatsen inmiddels niet meer te traceren waren. Daardoor is men gaan betwijfelen of deze schat werkelijk bestaan heeft. Maar het zou natuurlijk ook kunnen zijn dat de schat al was gevonden. Het gebied in het Midden-Oosten behoorde in die tijd tot het Romeinse Rijk. In 66 na Christus kwam de joodse bevolking in opstand tegen de onderdrukking en verdreef de Romeinen. Keizer Vespasianus heroverde daarop Palestina, waarna zijn opvolger Titus optrok naar Jeruzalem. Na een belegering van vijf maanden werd de stad in het jaar 70 veroverd en geplunderd. Naast een groot aantal joodse krijgsgevangenen werd ook de zogenaamde Tempelschat mee naar Rome genomen. Op de Titusboog in Rome is dit tafereel op een reliëf afgebeeld. Hierop is ook duidelijk de menorah, de zevenarmige kandelaar, te zien. Wat hebben de Romeinen allemaal gevonden in Jeruzalem en meegenomen naar Rome? Is dit de schat waar in de Koperen Rol over gesproken wordt?

De schat der Visigoten.

Aan het begin van de vijfde eeuw werd het Westromeinse Rijk slachtoffer van de Germaanse Volksverhuizing. Het Rijk werd aangevallen door volken als de Vandalen, onder leiding van koning Genserik, en de Hunnen, onder leiding van Atilla. De Visigoten (ook wel West-Goten genoemd), die aanvankelijk als vrij volk deel uitmaakte van het Rijk, kwamen door onderdrukking in opstand. Een paar jaar later, in 410, veroverden ze Rome onder leiding van Alarik. Nadat zij de stad hadden geplunderd, trokken zij naar Zuid-Gallië en Noord-Spanje. Toulouse werd hun hoofdstad en Carcassonne een van de belangrijkste andere steden. Ook Rennes-le-Château, toen Rhedae geheten, werd een door de Visigoten versterkte plaats. Een eeuw later, in 507, werden de Visigoten door de Franken, die onder leiding stonden van Clovis I, bij Poitiers verslagen. Toulouse werd platgebrand en zij werden teruggedrongen tot het gebied rond Narbonne, met Carcassonne als grensplaats. De geschiedenis van de Visigoten brengt de mogelijkheid van een verborgen schat met zich mee. Het is op zich niet vreemd om te denken dat zij in 410 de Tempelschat uit Rome hebben meegenomen en dat zij deze, aangevuld na andere plunderingen, bij hun terugtrekking hebben verborgen in de omgeving van Rennes-le-Château. Heeft Saunière deze schat gevonden?

De Merovingen.

Zoals gezegd werden de Visigoten in het begin van de zesde eeuw door de Franken verdreven. De naam Franken is in feite een verzamelnaam voor een aantal Germaanse stammen. Deze stammen oefenden in de derde en vierde eeuw steeds meer druk uit op de grens van het Romeinse Rijk, die in het noorden gevormd werd door de Rijn en de Donau. In de vijfde eeuw was het koning Chlodion die er voor zorgde dat de Franken zich voor het eerst in "Frankrijk" gingen vestigen. Hij kan beschouwd worden als grondlegger van de dynastie der Merovingen, waarvan de naam is afgeleid van zijn zoon Merovech (of Meroveus), die in 447 koning der Franken werd. De Merovingen zijn omgeven door allerlei legenden en mythes. Zo zou Merovech een of ander zeewezen, Quinotaurus genaamd, als vader hebben gehad. De dynastie zelf zou afstammen van de stam van Benjamin. De Benjaminieten woonden in Bijbelse tijden in het gebied rond Jeruzalem. Later werden zij verdreven en gingen in ballingschap naar Arcadië, op de Peloponnesus. Daar huwden zij met Griekse vorstenhuizen. Begin eerste eeuw trokken zij naar het noorden, waar zij later na vermenging met Teutoonse stammen, de Sicambriërs vormden. Of de afstamming juist is, valt moeilijk te bewijzen, maar zeker is dat deze Sicambriërs, een van de Frankische stammen, zich na de Germaanse Volksverhuizing, aan het begin van de vijfde eeuw, in de Ardennen vestigde. Ook aan de naam Ardennen is een prachtige mythe verbonden. De naam is afgeleid van Arduina, de godin van de jacht. In Griekenland is zij bekend als Artemis. De Arcadiërs, die op de Peloponnesus woonden, stammen volgens de legende af van Arkas, dat beer betekent. Arkas is de zoon van Callisto, die de jachtgezellin is van Artemis. En Callisto is bekend als Ursa Major, de Grote Beer. De naam Ursus is nauw verbonden met de Merovingen, waarvan sommige afstammelingen dit als bijnaam hadden.

Onder Merovech hielpen de Franken de Romeinen bij hun strijd tegen de invallende Hunnen. Onder het bewind van zijn zoon Childeric I hielpen zij hen tegen de opstandige Visigoten. Ondertussen werd hun eigen gebied door veroveringen uitgebreid tot het latere Austrasië, het huidige Lotharingen. Van hier uit slaagden de Franken (inmiddels Merovingen genoemd) er in om hun gebied fors uit te breiden. Vooral onder Clovis I, de zoon van Childeric I, werd het gebied naar alle kanten uitgebreid. Na het terugdringen van de Visigoten strekte het rijk zich uit tot aan de Pyreneën. De Franken hingen net als de Goten het arianisme aan, een leer die Christus niet als God maar als mens beschouwt. Echter, toen Clovis in 496 op het punt stond om ten onder te gaan in de strijd tegen de Alamannen, riep hij in zijn wanhoop de hulp in van de God van de christenen. Na zijn overwinning bekeerde hij zich tot het rooms-katholicisme, door zich te laten dopen. Dit gebeurde in Reims door de heilige Remigius met de woorden: "Buig, fiere Sicambriër, verbrand wat gij hebt aanbeden, en aanbid wat gij hebt verbrand". Door deze bekering veranderde er veel. Niet alleen kwamen de Merovingen onder bescherming te staan van Rome bij het uitvoeren van hun veroveringen, maar ook werd de macht van de katholieke Kerk op deze manier enorm uitgebreid. Hoewel de Frankische gewoonte om het land te verdelen onder de erfgenamen ook voor de nodige onderlinge strijd zorgde, ging deze expansiedrift nog lang door.

Een van de nazaten van Clovis is Dagobert II. Deze koning van Austrasië zorgt voor de link met ons verhaal door in 671 te trouwen in het kerkje van Rennes-le-Château. Zijn vrouw is een ariaanse prinses van de Visigoten. Waarschijnlijk door dit huwelijk liet Dagobert II het katholicisme in de steek. Lang heeft deze situatie niet geduurd, want in 679 werd hij onder goedkeuring van Rome, in Stenay (in de Ardennen) vermoord. Vanaf die tijd regeerden de "luie" koningen. De Merovingen waren altijd al meer priester-koning dan werkelijke heersers geweest. Het echte regeren lieten ze over aan zogenaamde hofmeiers. Dit werd langzamerhand hun ondergang. In Austrasië bekleedde het geslacht der Pippijnen het ambt van hofmeier. Een van deze hofmeiers was Karel Martel, die in 732 in de slag bij Poitiers de Arabieren versloeg, die vanuit Spanje binnengedrongen waren. Zijn zoon, Pippijn de Korte, nam in 751 de regering over door de laatste koning der Merovingen, Childeric III, af te zetten.

De dynastie van de Karolingen, genoemd naar Karel Martel, nam het roer over van de Merovingen. Pippijn de Korte herstelde de betrekkingen met de paus en de katholieke Kerk. Dit had tot gevolg dat niet langer de afstamming bepalend was voor de troonsopvolging, maar de zalving door de Kerk van Rome. De zoon van Pippijn werd in de kerstnacht van het jaar 800 door paus Leo III tot keizer van het Heilig Roomse Rijk gekroond. Zijn naam kent iedereen: Karel de Grote. De Karolingen hebben geregeerd tot de dood van Lodewijk V. Het feodale systeem waar de Franken goed in waren, nl. het verdelen van het land onder de erfgenamen, zorgde ervoor dat "Frankrijk" inmiddels enorm versnipperd was. Iedere ridder heerste vanuit zijn eigen kasteel over zijn eigen stukje land, alsof er geen centraal gezag was. In 987 werd Hugo Capet tot koning gekozen. Hij gaf zijn naam aan de dynastie der Capetingen. Beetje bij beetje werd de eenheid hersteld, met name door later het principe van erfelijke troonsopvolging weer in ere te herstellen. De Capetingen zouden aan de macht blijven tot 1328.

Maar hoe zit het nu met de Merovingen? Zij regeerden niet meer, maar houdt dat ook in dat zij helemaal niet meer bestonden? De geschiedenisboeken eindigen bij Dagobert II of bij Childeric III. Houdt de dynastie daarom bij hen op met bestaan? Het antwoord is, volgens sommige publicaties, nee. Want hoewel vaak gedacht wordt dat zowel Dagobert II als zijn zoon Sigebert IV in Stenay vermoord werden, wist deze laatste te ontkomen. Hij werd in het jaar 681 in het geheim teruggebracht naar zijn moeder, die op het kasteel van Rennes-le-Château woonde. Deze gebeurtenis is afgebeeld in reliëf op een steen, die met de afbeelding naar beneden in de kerk van Rennes-le-Château lag. Deze "Dalle des Chevaliers" is tijdens de restauratiewerkzaamheden gevonden, op aanwijzing van een document dat verborgen was in een balustre (een deel van een hek). De Dalle is nog steeds in het museum van het dorp te bezichtigen. Op het reliëf is een ridder met het kind op een paard afgebeeld. Door huwelijken hebben de Merovingen zich sindsdien verspreid onder vele families. Onder hen zouden namen zijn als Blanchefort, Plantard, Saint-Clair (Sinclair) en Habsburg-Lotharingen. Een van de bekendste nazaten van de Merovingen is Godfried van Bouillon. Hij was in 1096 een leidende figuur van de eerste kruistocht. Hoewel de Merovingen later een ondergeschikte rol vervulden, waren hun rijkdommen aanvankelijk enorm. Dagobert II heeft banden met Rennes-le-Château. Bovendien zijn er in het dorp talrijke merovingische graven gevonden. Was er in het gebied een schatkamer?

Deel 2 - Hoofdstuk 3: De Tempeliers. 

Tegenover het Heilig Roomse Rijk in het westen stond het Byzantijnse Rijk in het oosten. In de elfde eeuw hadden naburige Turkse stammen, zoals de Seldsjoeken, hun gebieden uitgebreid en vormden zodoende een steeds grotere bedreiging voor de keizer in Constantinopel. Ook werden de pelgrimstochten naar Jeruzalem steeds onmogelijker gemaakt, waardoor het christendom in gevaar kwam. De Byzantijnse keizer Alexios I riep paus Urbanus II te hulp. Deze riep in 1095 in Clermont een menigte mensen op om de ongelovige Turken terug te dringen en alle heilige plaatsen te bevrijden. De strijdkreet "God wil het!" sloeg aan en mobiliseerde binnen een paar maanden een leger van pelgrims dat onder leiding van Peter van Amiens de tocht aanging. Deze volkskruistocht liep echter uit op een totale mislukking. Met tienduizenden tegelijk werden de pelgrims door de Turken afgeslacht, terwijl velen Constantinopel niet eens haalden. Een jaar later besloten de Frankische ridders te gaan. Compleet met vrouwen, kinderen en voetknechten trokken zij in 1096 naar het Heilige Land. Onder hen bevond zich Godfried van Bouillon, die later de leiding op zich zou nemen. Na vele ontberingen en omzwervingen (zo werd o.a. eerst Edessa veroverd) bereikten zij drie jaar later Jeruzalem. De stad werd veroverd en de slachting die volgde is nog steeds een van de grootste schanddaden uit de geschiedenis van het christendom. Godfried noemde zich "Beschermer van het Heilige Graf". Na zijn dood in 1100 volgde zijn broer Boudewijn hem op, en werd de eerste koning van Jeruzalem.

Om de duizenden pelgrims op hun tocht naar Jeruzalem te beschermen werd in 1118 de "Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo" opgericht. Omdat hun hoofdkwartier was gelegen op de fundamenten van de Tempel van Salomo werden zij de "Tempeliers" genoemd. Een van de oprichters van deze orde was Hugues de Payen, de leider van de "Orde van Sion", die in 1099 door Godfried van Bouillon was opgericht. De eerste negen jaar bestond de orde van de Tempeliers uit slechts negen ridders. Een andere orde die in 1099 was opgericht, was die van de "Hospitaalbroeders van Sint Jan". Deze "Johannieters" hielden zich bezig met de verpleging van de pelgrims.

In 1127 waren de meeste Tempeliers naar Frankrijk teruggekeerd en Hugues de Payen kreeg de titel van "Grootmeester". In 1128 stelde Bernard van Clervaux, een van de belangrijkste geestelijke leiders van die tijd, de reglementen van de orde op. Lange baarden, witte kleding, armoede en kuisheid waren enkele van die regels. In 1139 bepaalde paus Innocentius II dat de Tempeliers alleen aan de paus verantwoording schuldig waren. Zo hoefden zij dus ook geen belasting te betalen. Binnen korte tijd breidde de orde zich flink uit en iedereen die lid werd schonk zijn land en bezittingen aan de orde. In 1146 werd het rode kruis als herkenningsteken gekozen. Na de val van Edessa in 1146 volgde een nieuwe kruistocht. Ook deze liep uit op een totale mislukking. De val van Jeruzalem in 1187 leidde voor de derde keer tot een kruistocht. De leiders waren niemand minder dan Richard Leeuwenhart, Frederik Barbarossa en Filips II August. Zij slaagden er echter niet in om Jeruzalem te heroveren (op Saladin) en de kustplaats Akko werd de zetel van het koninkrijk. Omdat er veel Duitse ridders aan deze kruistocht meededen, leidde dit tot de oprichting van de Duitse Orde.

Na de dood van Saladin volgde in 1202 de vierde kruistocht die in 1204 eindigde met de inname en plundering van Constantinopel. Dit ging gepaard met dezelfde schandelijke terreur als destijds bij de inname van Jeruzalem. Het enthousiasme voor de kruistochten begon langzamerhand af te nemen. Er volgden er nog een viertal, maar na de val van Akko in 1291, kwam aan alles een eind. Ook de ridderorden moesten een goed heenkomen zoeken en vluchtten naar Cyprus. De Johannieters verhuisden van hieruit in 1310 naar Rhodos. Maar toen de Turken dit eiland in 1530 veroverden, waren zij gedwongen opnieuw te vertrekken. Zij kozen voor het eiland Malta, waardoor zij voortaan "Maltezer Ridders" genoemd werden. Deze orde bestaat nu nog en houdt zich nog steeds bezig met ziekenverzorging. Het hoofdkwartier is in Rome en in Nederland is de vorstin erelid. De ridders van de Duitse Orde waren voor een deel al in 1266 naar Pruisen getrokken en hadden het gebied "bekeerd". In 1309 vestigden zij zich in Mariënburg. Van hieruit ontwikkelden zij delen van Oost-Europa. In 1809 werd de orde door Napoleon ontbonden, waarna hij in 1945 weer in ere werd hersteld. Hun teken is het zwarte kruis.

Met de Tempeliers verliep het anders. Zij hadden zich in West-Europa ontwikkeld als een grote macht. Zowel op politiek, als cultureel en financieel gebied waren zij toonaangevend. De bouw van de grote kathedralen is te danken aan hun kennis en inspanningen. Overal hadden zij bezittingen en landerijen. Om het gevaar van reizen met geld tegen te gaan, hadden zij het banksysteem met waardepapieren uitgevonden. Ook vestigden zij zich in grote getale in de Languedoc, waar zij op goede voet stonden met de kathaarse bevolking. Omdat hij financieel afhankelijk van hen was geworden en afgunstig was op hun rijkdom, besloot Filips IV de Schone om actie tegen de orde te ondernemen. Bovendien had hij het vermoeden dat de Tempeliers na de val van Akko in Zuid-Frankrijk een aparte staat wilden gaan vormen, die een bedreiging voor hem zou kunnen worden. Hij wist de paus ervan te overtuigen dat ze zich schuldig maakten aan "ketterse" rituelen. Zo zouden zij het kruis bespuwen en een hoofd, "Baphomet", vereren. Onder goedkeuring van paus Clemens V werden de Tempeliers op vrijdag 13 oktober 1307 in heel Frankrijk opgepakt. Waarschijnlijk gewaarschuwd liet Grootmeester Jacques de Molay de dag ervoor vele boeken en documenten verbranden. De gearresteerde Tempeliers werden door de "Inquisitie" ondervraagd. Bekentenissen werden gedaan onder druk van folteringen. Sommige Tempeliers wisten echter te ontkomen, doken onder of sloten zich aan bij de Duitse Orde, de Johannieters of de Portugese "Christusorde". In 1312 werd de orde officieel door de paus ontbonden. Hun bezittingen werden voor een deel overgedragen aan de Johannieters. Maar hebben de Tempeliers al hun bezittingen laten confisceren of hebben zij veel waardevolle spullen op tijd in veiligheid kunnen brengen? Nooit is er een grote schat gevonden, hoewel je zou zeggen dat die er toch wel degelijk moet zijn geweest. Is alles verscheept naar Schotland? Daar waren immers al veel Tempeliers gevestigd en na 1307 zijn er ook veel naar toe gevlucht. Of hebben zij hun schat ergens in de Languedoc verborgen, de provincie waarin ook Rennes-le-Château zich bevindt?

Deel 2 - Hoofdstuk 4: De Katharen (De Heilige Graal).  

Wie kent niet het verhaal van Koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel? Bijna iedereen weet dat zij op zoek waren naar een zogenaamde Heilige Graal, wat dat ook geweest moge zijn. Iedereen gaat er van uit dat deze verhalen fictief zijn, en heel misschien een kern van waarheid bevatten. Maar deze kern van waarheid zou best wel eens groter kunnen zijn dan vermoed. Want omstreeks 830 wordt Arthur al vermeld in de "Historia Brittorum", geschreven door de monnik Nennius. Volgens dit geschrift is Arthur de aanvoeder van de Britten, die de Angelsaksen in de slag bij Badon versloegen. Ook andere bronnen vermelden deze slag, die in 493 na Christus heeft plaatsgevonden.

De schrijver Graham Phillips beweert zelfs herleid te hebben wie deze Arthur was: namelijk Owain Ddantgwyn, die woonde in de plaats Viroconium in het koninkrijk Powys (centraal Wales). Ook heeft Phillips de (vermoedelijke) Graal zelf kunnen opsporen. Het is een zes centimeter hoog bekertje, in de vorm van een eierdopje, gemaakt van onyx. De huidige eigenaresse is ene Victoria Palmer, die een rechtstreekse afstammelinge van Owain zou zijn. Volgens zijn redenering is deze beker de "Mariakelk", die in 327 door keizerin Helena in Rome was ontdekt. Toen in 410 de stad door de Visigoten werd geplunderd, werd deze beker in veiligheid gebracht en naar Engeland vervoerd, waar het in Powys werd bewaakt. Mocht dit het ware achtergrondverhaal zijn, de legendes die hierover handelen hebben kenmerken die wijzen op Keltische oorsprong. Ze waren niet op schrift gesteld, maar door rondtrekkende barden mondeling overgeleverd. Het waren de Welse barden die in de zevende eeuw de legenden naar het vaste land, Bretagne, overbrachten. Rond het begin van de dertiende eeuw kregen deze legenden echter een meer christelijke invalshoek. De oorzaak hiervan heeft hoogstwaarschijnlijk te maken met de terugkeer van de kruisvaarders uit het Heilige Land.

De bekendste van deze vernieuwde verhalen over de Graal zijn "Le Conte du Graal", omstreeks 1190 geschreven door Chrétien de Troyes; de "Roman de l’estoire dou St.Graal" van Robert de Boron, geschreven omstreeks 1195; "Pervesvaus", rond 1200 geschreven door een onbekende auteur; "Parzival", door Wolfram von Eschenbach geschreven omstreeks 1210; en de verhalen van de zogenaamde "Vulgaatcyclus" (Het Latijnse woord "vulgare" betekent "voor iedereen bekend maken"): "Lancelot" en de "Queste del Saint Graal", waarvoor rond 1220 cisterciënzische monniken verantwoordelijk waren. De bronnen van deze schrijvers zijn verschillend, maar nooit helemaal duidelijk geworden. Chrétien de Troyes noemt Filips van Elzas, de graaf van Vlaanderen die deelnam aan de derde kruistocht. De Duitser Wolfram von Eschenbach noemt ene Kyot de Provence, met wie waarschijnlijk Guiot de Provins wordt bedoeld, die een woordvoerder van de Tempeliers was. Ook de anonieme schrijver van de "Perlesvaus" zou een Tempelier geweest zijn. Aangezien ook de schrijvers van de Vulgaatcyclus banden hebben met de Tempeliers (bovendien was Bernard van Clervaux, de opsteller van de regels van de orde, zelf een cisterziënsische monnik) heeft deze orde duidelijk te maken met het ontstaan van de opleving van deze legenden. De bewakers van de Graal in de verhalen lijken in ieder geval in hun beschrijvingen veel op de Tempeliers. Wat de Graal zelf precies is, verschilt per verhaal. Soms is het de beker waaruit gedronken werd bij het Laatste Avondmaal; soms is het de beker waar Jozef van Arimathea het bloed van de stervende Christus in opving; soms is het een schaal of een edelsteen. Maar één ding is zeker: het heeft magische krachten.

In zijn boek "Het Heilige Bloed, de Heilige Graal" komt Henri Lincoln met de idee om de woorden "San Graal" te lezen als "Sang Raal", dat "Heilig Bloed" betekent. Omdat de "Sangraal" ook wel "Sangreal" wordt genoemd, zou je het ook als "Sang Real" kunnen lezen: "Koninklijk bloed". Volgens zijn hypothese geloofde men destijds dat Jezus van Nazareth getrouwd was geweest met Maria Magdalena, en dat zij na de kruisiging samen met Jozef van Arimathea naar Frankrijk vluchtte, waar toen al een grote joodse gemeenschap woonde. In Les-Saintes-Marie-de-la-Mer, aan de Middellandse Zeekust, wordt de aankomst van Maria overigens nog steeds ieder jaar gevierd. De hypothese vertelt verder dat Maria Magdalena zwanger was en dat haar nakomelingen derhalve "Koninklijk Bloed" in zich gedragen hebben. Immers, als rechtstreekse afstammeling van koning David was Jezus met recht Koning der Joden. Deze nakomelingen zouden zich later vermengd kunnen hebben met de Franken, hetgeen de mythische afstamming van de Merovingische koning Merovech kan verklaren. Want, terwijl de legende zijn naam verbindt met een "zeewezen", is de naam Jezus nauw verbonden met "vissen". Wordt hiermee op hetzelfde gedoeld?

Een andere overeenkomst van de Merovingen met de Graallegendes van koning Arthur is de naam beer. Al eerder heb ik de afkomst van de bijnaam Ursus verteld. De naam Arthur zou op zijn beurt zijn afgeleid van het woord arth, dat in het Wels nog steeds bestaat en beer betekent. Kan het zijn, met het oog op bovenstaande hypothese, dat de Tempeliers, die onder de Tempel van Salomo graafwerkzaamheden hebben verricht – sporen hiervan zijn nog steeds zichtbaar -, "iets" hebben gevonden en mee naar Frankrijk hebben gebracht? Kan het zijn dat er in verband met deze vondst nieuwe versies van de Graallegenden zijn ontstaan? En dat zij deze vondst in de buurt van Rennes-le-Château hebben verborgen? Overigens, terugkomend op de Graallegenden, is het niet met zekerheid te zeggen waar zich een en ander heeft afgespeeld. Volgens sommigen is het in Engeland, met Tintagel Castle in Cornwall als geboorteplaats van Arthur, met Camelot als Graalburcht en met Glastonbury als de plaats waar hij begraven was. Wolfram von Eschenbach heeft het in Parzival over "Sinandon" in "Waleis" hetgeen zou kunnen slaan op het Zwitserse Sion (vroeger Sidonensis geheten) in het kanton Wallis. Vaak wordt ook gesteld dat de Graalburcht is gelegen aan de voet van de Pyreneeën: het is de Montségur, het middeleeuwse bolwerk van de Katharen. En ook de Katharen spelen een rol in het verhaal over Rennes-le-Château.

De Katharen.  

Aan het einde van de tiende eeuw ontstond in de Languedoc een stroming die bekend staat als het "katharisme". De leer is vanuit het Midden-Oosten via de Balkan en Italië naar Zuid-Frankrijk gekomen, en staat in vele opzichten dicht bij de oorsprong van het christendom. Vandaar dat de leer ook als christelijk beschouwd moet worden. Er zijn echter grote verschillen met de katholieke Kerk. Het kathaarse geloof is dualistisch: er zijn twee goden. De Goede God is de schepper van het onzichtbare en het geestelijke; de God van het Kwaad is de schepper van alle zichtbare, aardse dingen. Deze laatste wordt de "Rex Mundi" genoemd. Jezus kan daarom nooit de Zoon van God geweest zijn, omdat het lichaam een schepping is van de God van het Kwaad (oftewel de duivel). Het kruis beschouwden zij als het symbool van de Rex Mundi. Een ander gevolg van deze opvattingen was dat ook de dieren door de duivel geschapen waren, zodat er geen vlees of vis gegeten mocht worden. Belangrijk voor de Katharen is de directe en persoonlijke kennis, "gnosis" genoemd. Hierdoor was een kerkelijke hiërarchie overbodig. Zij kenden dus ook geen kardinalen en dergelijke ambtsbekleders. Wel waren er priesters en priesteressen, "parfaits" genaamd, die bijeenkomsten hielden in de open lucht, aangezien er geen (stoffelijke) kerkgebouwen waren. Door de gnosis kon de geest een "voltooide" staat bereiken. Dit was bij de parfaits het geval. Dit waren de echte "Katharen", de "zuiveren". Onder hen bevonden zich vele edellieden. Zij waren gewijd door handoplegging, het "consolamentum". Dit was het enige sacrament dat de Katharen kenden. Op dit sacrament moest een sober en streng leven volgen. De meesten lieten zich derhalve pas op het sterfbed wijden, zodat er nog een normaal leven geleid kon worden. Ging men dood zonder het consolamentum te hebben ontvangen, dan werd de geest gereïncarneerd in een ander lichaam zodat dit later toch nog het geval kon zijn.

Het is duidelijk dat deze opvattingen een doorn in het oog waren van de Kerk van Rome. Toen Bernard van Clervaux in 1145 naar de Languedoc afreisde om deze "ketters" te bekeren, kwam hij er echter achter dat de Katharen eigenlijk christelijker leefden dan zijn eigen katholieken. De Katharen waren toleranter en hadden bovendien een veel hoger geestelijk niveau. Paus Innocentius III zag hen echter als een grote bedreiging van de Kerk en riep in 1208 op tot een kruistocht tegen de Albigenzen, zoals de Katharen ook wel worden genoemd (naar de stad Albi). Koning van Frankrijk was in die tijd Filips II August die, na zijn terugkeer van de derde kruistocht, in een strijd verwikkeld was met de Engelsen. Zijn goedkeuring niet afwachtend, nam de aartsabt van het klooster van Cîteaux, Arnaud-Amaury, de leiding van de kruistocht tegen de Katharen op zich. Het werd een van de bloedigste oorlogen van Europa. De geweldloze Katharen boden weinig tegenstand, maar kregen wel steun van de met hen sympathiserende bevolking. Op 28 juli 1209 werd onder leiding van Simon de Montfort de stad Béziers ingenomen. De uitspraak "Doodt allen, God zal de zijnen herkennen" geeft aan hoe het er aan toe is gegaan. Naar schatting 20.000 mensen, katholiek en Kathaar, werden gedood. Ook op andere plaatsen volgden er bloedbaden, en werd de Languedoc stad na stad, kasteel na kasteel ingenomen. De Katharen bleven echter trouw aan hun leer en velen lieten zich dan ook liever zonder verzet op de brandstapel zetten, dan hun geloof af te vallen.

In 1218, tijdens het beleg van Toulouse, werd Simon de Montfort gedood. De strijd tegen de Albigenzen ging door, maar kreeg wel steeds meer een politiek karakter. Lodewijk VIII, de zoon van Filips II August, nam in 1226 de leiding op zich, wat drie jaar later resulteerde in het verdrag van Meaux, waardoor de Languedoc ingelijfd werd door Frankrijk. Hun grondgebied was verloren, maar de geest van de Katharen was niet gebroken. Paus Gregorius IX stelde in 1231 de "Heilige Inquisitie" in, die tot doel moest hebben de ketterij voorgoed uit te bannen. De orde der Dominicanen werd met deze taak belast. Deze orde was in 1215 in Toulouse opgericht door de van oorsprong Spaanse edelman Dominique Guzman. Of hij het eens was met deze taakstelling zullen we nooit weten, want hij overleed in 1221, tien jaar voor de instelling van de Inquisitie. Negen jaar lang heeft hij in Fanjeaux gewoond, temidden van vele Katharen… In ieder geval waren zijn Dominicaner broeders van mening dat zij goed werk deden. Wie zich niet bekeerde tot het katholieke geloof, bezweek onder de folteringen of belandde op de brandstapel. Zo verminderde langzaam maar zeker het aantal aanhangers. In 1244 was de Montségur nog over als een van de laatste steunpunten van de Katharen. Na een belegering van tien maanden gaven de bewoners zich over. Zij hadden zich kunnen redden door zich te bekeren, maar verkozen de brandstapel. Meer dan 200 Katharen werden levend verbrand aan de voet van de berg. Het verhaal gaat dat de nacht voor de overgave een viertal parfaits in het geheim van de berg zijn afgedaald. Zij zouden bij deze ontsnapping de schat der Katharen meegenomen hebben. Volgens sommigen heeft deze schat te maken met het Mysterie van Rennes-le-Château. Was deze schat de Heilige Graal? Of waren het misschien geheime documenten?

In 1255 werd het laatste Katharenkasteel, Queribus, ingenomen. De Katharen doken onder in de bergen of in de grotten van de Pyreneeën. De Inquisitie deed zijn werk grondig, getuige de vele verslagen die bewaard zijn gebleven. Een van die verslagen vormt de bron van het boek van Emmanuel Le Roy Ladurie, waarin hij beschrijft hoe op 15 augustus 1308 de complete bevolking van het dorp Montaillou werd opgepakt en ondervraagd. De laatste parfait, Guilhelm Bélibaste, werd in 1321 in het kasteel van Villerouge-Termenès verbrand. De Katharen hielden officieel op te bestaan. Maar vast en zeker is de leer in een of andere vorm blijven bestaan. Want een religieuze stroming laat zich niet zomaar vernietigen. Iemand die dat goed in de gaten had, was Adolf Hitler. Hij misbruikte de legende van de Graal voor het creëren van een soort religie om meer standvastigheid te bewerkstelligen in zijn 1000-jarig Rijk. Zoals u weet is dat gelukkig niet doorgegaan. Het verklaart wel de belangstelling die de nazi’s hadden in de Montségur en het Katharengebied. Een belangstelling die tegenwoordig alleen maar groter wordt. Niet alleen door de vele publicaties die er verschenen zijn over de Katharen, en een algemene toename van de interesse in de gnosis. Maar ook door de vele publicaties die in de tweede helft van de 20e eeuw verschenen zijn over Rennes-le-Château. De toeristenindustrie maakt hier dankbaar gebruik van en vermaakt ons met kathaarse markten, kathaarse kastelenroutes, een Catha-rama, en ga zo maar door. U bent in "Le Pays Cathare". De Katharen zijn springlevend!

Deel 2 - Hoofdstuk 5: Blanchefort.

Na het lezen van deze beknopte geschiedenis, is het duidelijk dat er in tweehonderd jaar tijd, zeg van 1100 tot 1300, enorm veel gebeurd is in de Languedoc. We zagen de opkomst, de bloei en het verdwijnen van de Katharen, de Tempeliers en de Graallegenden. Alle drie zijn ze met elkaar verweven. In de "vernieuwde" Graallegenden zijn de Tempeliers nadrukkelijk aanwezig. Vele Tempeliers waren zelf Kathaar, en uiteraard deed de Orde ook niet mee met de Albigenzische kruistocht. Maar opeens was het afgelopen. De Graallegenden werden eeuwenlang niet meer verteld, de Katharen waren letterlijk vernietigd, en de Tempeliers in 1307 allemaal opgepakt. Hoewel, in feite is dit laatste niet helemaal waar. Er was een groep Tempeliers die níet werd gearresteerd. Namelijk de groep, die gelegerd was in het kasteel van le Bézu, een paar kilometer ten zuiden van Rennes-le-Château. Zij hadden blijkbaar een dermate belangrijke taak, dat dit hen boven de wet stelde en bescherming bood. De reden daarvan kan gezocht worden in de kennelijke macht van het geslacht Blanchefort, waarvan het kasteel zich ten oosten van Rennes-le-Château bevond, en die, zoals gezegd, van de Merovingen zou afstammen. Betrand de Blanchefort wordt genoemd als de vierde Grootmeester van de Tempeliers. En de moeder van paus Clemens V, die het arrest uitvaardigde, was Ida de Blanchefort. Ook het feit dat de commandant van Château d'Albedun in Le Bézu ene Seigneur de Goth was, terwijl Clemens V voor zijn pausschap Bertrand de Goth heette, zal een rol gespeeld hebben. Het is duidelijk dat de Blancheforts in het complot zaten en bescherming genoten.

Volgens het Verhaal bezat de familie Blanchefort een groot geheim. Een geheim, dat eeuwenlang van generatie op generatie was doorgegeven, totdat de laatste telg uit het geslacht die in Rennes-le-Château woonde, Marie de Negri Dame de Hautpoul de Blanchefort, het vlak voor haar dood in 1781 doorgaf aan pastoor Antoine Bigou. Deze schreef het geheim op cryptische wijze op haar grafstenen en op een tweetal documenten. Bij het uitbreken van de Franse Revolutie in 1789 verstopte hij de documenten in de kerk van Rennes-le-Château en vluchtte drie jaar later naar het Spaanse Sabadell. Voor zijn dood in 1794 vertelde hij aldaar het geheim aan de eveneens gevluchte pastoor Cauneille. Op zijn beurt vertrouwde deze het geheim toe aan Jean Vié, die vanaf 1840 pastoor van Rennes-les-Bains was en aan Emile François Cayron, vanaf 1840 pastoor van St.Laurent de la Cabrerisse. Het spoor gaat nog verder, want Cayron leidde later in Quillan Henri Boudet op die in 1872 Jean Vié opvolgde. Via Boudet belandde het geheim bij Bérenger Saunière, die de documenten van Bigou vond en de inscripties van de grafsteen van Marie de Negri vernietigde. Het traject van het geheim is tot zover duidelijk. Maar wat is het geheim zelf? Vele sporen leiden naar het gebied rond Rennes-le-Château. Maar wat is er waar van alle verhalen? Is er een schat? Is het de Graal? Zijn het documenten? Wat is het geheim? De zoektocht naar de oplossing hiervan heeft veel informatie opgeleverd. Een deel van die informatie wordt in het nu volgende hoofdstuk besproken. Ze vormen als het ware de ingrediënten, waardoor ik in staat was zelf een aantal vondsten te doen, die mij tenslotte de onthulling brachten van het Mysterie van Rennes-le-Château.

 

Deel 3: Onthullingen.

Nadat Noël Corbu in 1956 het Verhaal van pastoor Saunière in de krant had laten zetten werd er in Frankrijk steeds meer over het Mysterie gepubliceerd. Verantwoordelijk deze informatiestroom zou de zogenaamde "Prieuré de Sion", een voortvloeisel uit de Orde van Sion, zijn geweest. Deel 3 bevat een aantal onthullingen en een aantal vondsten van anderen, die geleid hebben tot mijn eigen ontdekkingen. 

Deel 3 - Hoofdstuk 6: De Prieuré de Sion. 

In 1956 stapte Noël Corbu met zijn verhaal over Rennes-le-Château naar de "Dépeche du Midi". Vanaf die tijd begon er in Frankrijk steeds meer informatie vrij te komen over het mysterie. Soms in de vorm van artikelen en soms in boekvorm, zoals "Le Trésor Maudit". Ook verschenen er in de Bibliothèque Nationale in Parijs allerlei pamfletten en documenten die in kleine oplage gedrukt waren. Verantwoordelijk voor deze publicaties, die meestal onder pseudoniem waren geschreven, zou een zekere "Prieuré de Sion" zijn. Ze zijn verzameld in de zogenaamde "dossiers secrets". Volgens deze "geheime dossiers" is de Prieuré de Sion ontstaan uit de Orde van Sion, die in 1099 door Godfried van Bouillon was opgericht, en waarvan Hugues de Payen de leider werd. De Orde van Sion had het gezag over de Orde van de Tempeliers, waarvan de Payen de eerste Grootmeester was. In 1188 kwam het in Frankrijk door onbekende redenen tot een breuk tussen beide Orden. Deze gebeurtenis wordt "het omhakken van de olm" genoemd. De naam Orde van Sion werd gewijzigd in Prieuré de Sion.

Net als bij de Tempeliers staat aan het hoofd van de Prieuré een Grootmeester. De volgende drie graden vormen samen het "Hof van de 13 Rozekruisers". Volgens de "dossiers secrets " was Jean de Gisors van 1188 tot 1220 de eerste Grootmeester. Het principe van erfelijke opvolging werd toegepast, tenzij de kandidaat niet geschikt werd bevonden. In dat geval werd een buitenstaander Grootmeester. Onder hen zijn vele bekenden, zoals René d’Anjou, Leonardo da Vinci, Isaac Newton, Victor Hugo, Claude Debussy en Jean Cocteau. Laatstgenoemde overleed in 1963. In 1981 werd Pierre Plantard de Saint-Clair zijn opvolger. Wie in de tussenliggende periode Grootmeester was is niet duidelijk. Er wordt gesproken van een driemanschap, waaronder Plantard. In ieder geval is het onder zijn leiderschap dat de Prieuré de Sion meer in de openbaarheid kwam, hoewel het bestaan ervan door velen wordt betwijfeld. Het is ook Plantard die contact had met Henri Lincoln en door hem werd geïnterviewd in zijn boeken en in zijn documentaires. Wie de huidige Grootmeester is, is niet bekend. Het schijnt dat Plantard na enige meningsverschillen in juli 1984 is afgezet. Misschien was er te veel openheid?

Het doel van de Prieuré de Sion zou zijn het eerherstel van de dynastie de Merovingen. Waarschijnlijk met dit doel voor ogen wil men beetje bij beetje informatie verschaffen betreffende de geschiedenis van het geslacht. Een geschiedenis die nauw met het Mysterie van Rennes-le-Château schijnt samen te hangen, getuige de vele verwijzingen hiernaar in de "dossiers secrets". Vaak wordt die informatie op cryptische wijze gepresenteerd, zodat vele interpretaties mogelijk zijn. Dit heeft weer vele "buitenstaanders" aanleiding gegeven tot het schrijven van boeken, waarin bijzondere ontdekkingen onthuld worden. Op de komende pagina’s bespreek ik een aantal van die ontdekkingen, die gebaseerd zijn op de informatie die is vrijgegeven (waarschijnlijk) door de Prieuré de Sion.

Deel 3 - Hoofdstuk 7: De perkamenten.

Behalve de twee documenten met de Latijnse bijbelteksten, die Saunière gevonden zou hebben, bevatten de perkamenten een stamboom uit 1244, met het zegel van koningin Blanche de Castille (de moeder van Lodewijk IX de Heilige), waaruit een Merovingische afstamming blijkt; een genealogie uit 1608 van François-Pierre d’Hautpoul (die toen kasteelheer van Rennes-le-Château was); en het testament van Henri d’Hautpoul uit 1695 met onbekende inhoud. Waar al deze perkamenten gebleven zijn is een raadsel. De perkamenten met de stambomen zouden in het bezit zijn geweest van Emille Hoffet*. Bij zijn dood werden al zijn boeken en documenten opgekocht door de Internationale Vereniging van Antiquarische Boekverkopers. Kasteelheer Fatin van Rennes-le-Château, zelf een archeoloog, kreeg in juli 1966 een brief van deze vereniging waarin stond dat zijn kasteel de belangrijkste was van heel Frankrijk. De reden was dat dit kasteel in 681 het toevluchtsoord was geweest van Sigebert IV en daarna de woonplaats van zijn afstammelingen, de graven van Rhédae. De laatste Merovingische prins die daar woonde, tot 884, was Sigebert VI, bekend als "prins Ursus". In dezelfde brief wordt ook gemeld dat de perkamenten inderdaad in de kerk van Rennes-le-Château verstopt waren door Antoine Bigou en dat ze voor die tijd één pakket vormden met de genealogie van François-Pierre d’Hautpoul. Hiervan is bekend dat ze in november 1644 geregistreerd werden door notaris Captier van Espéraza. In 1780 weigerde de toenmalige notaris, ene Siau, om ze aan de familie terug te geven. Men mocht ze wel inkijken maar ze moesten in zijn eigen kluis blijven omdat ze van "groot gewicht" en "staatsgeheim" zouden zijn. Enkele jaren later werden ze dus i.v.m. het uitbreken van de Franse Revolutie in één van de pilaren van de kerk verstopt. Ongeveer honderd jaar later werden ze daar gevonden door Bérenger Saunière die, volgens zeggen, een kopie in Parijs achterliet en een kopie aan de burgemeester van Rennes-le-Château gaf. Bij een brand in 1910 zouden deze laatste kopie verloren zijn gegaan. In 1917 zou een nicht van Saunière, die in Montazel woonde, de perkamenten geërfd hebben en ze in de jaren vijftig doorverkocht hebben aan de Internationale Vereniging van Antiquarische Boekverkopers. Het spoor loopt vervolgens naar de kluizen van de Lloyds Bank Europe Ltd. in Londen. Nadat eind jaren zeventig de bankkluisjes werden opgeheven, zouden de perkamenten weer naar Frankrijk zijn teruggebracht. Volgens sommigen bevinden ze zich nu in de archieven van de Maltezer Orde.

Hoe het ook zij, waar ze momenteel ook zijn, begin jaren zeventig kreeg Henri Lincoln foto’s te zien van de twee documenten met de Latijnse teksten. Volgens Pierre Plantard, die de foto’s toonde, waren deze documenten "getrouwe kopieën, gemaakt van goede originelen". Alleen de schaal zou gewijzigd zijn. Ze waren in de jaren vijftig gemaakt door ene Philippe de Chérisey, een kennis van Plantard, die ze in 1964 aan Gérard de Sède had gegeven. Deze publiceerde ze in het boekje "Le Trésor Maudit", dat later door Lincoln werd gelezen. Of de getoonde documenten nu de originele waren van Antoine Bigou of kopieën van Philippe de Chérisey, ze bevatten duidelijk geheime informatie over het Mysterie van Rennes-le-Château, zoals tekst 12 en 13 u zullen tonen.

* Emile Hoffet is geboren op 11 mei 1873. Na zijn studie werd hij in 1898 priester. Later was hij o.a. lid van het documentatiecentrum van het Vaticaan. Hij heeft in zijn leven veel gepubliceerd over de Vrijmetselarij en de Rozenkruisers. Samen met de occultist René Guénon gaf hij een blad uit: "Regnabit". Ik heb Hoffet al eerder genoemd als een van degenen met wie Saunière in Parijs contact had.

Het kleine document.

Het kleinste van de twee documenten is een Latijnse samensmelting van drie evangeliën: Lucas VI vers 1-5, Mattheus XII vers 1-6, en Marcus II, vers 23-27. Van ieder evangelie zijn een aantal woorden of gedeelten hiervan gebruikt voor een nieuwe tekst.

Lucas VI vers 1-6: "Het geschiedde op een sabbat, dat Hij door korenvelden ging en zijn discipelen plukten aren en aten die, ze stuk wrijvende met hun handen. Maar sommige van de Farizeeën zeiden: Waarom doet gij wat op sabbat niet mag? En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hebt gij dan ook dit niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hij en die met hem waren honger kregen? Hoe hij het huis Gods binnengegaan is en de toonbroden heeft genomen en ervan gegeten heeft en gegeven aan die met hem waren, waarvan niemand mag eten dan alleen de priesters? En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is heer over de sabbat".

De tekst zelf is niet zo opvallend, maar wel de lay-out en de diverse tekens. Wat Henri Lincoln het eerste opviel, en hem derhalve op het spoor van het mysterie bracht, waren de letters die iets hoger geschreven waren. Bijvoorbeeld de a, de d en de a in regel twee, de g en de o in regel drie, en ga zo maar door. De letters tezamen vormen geen Latijnse maar een Franse zin: "A DAGOBERT II ROI ET A SION EST CE TRESOR ET IL EST LA MORT". De vertaling hiervan is: "Voor koning Dagobert II en Sion is deze schat en hij is daar dood". Een fantastische ontdekking, maar wel één die voor de nodige problemen zorgt. Want wat wil de vertaling zeggen? Wie Dagobert II is, is bekend en Sion zou kunnen slaan op de Prieuré de Sion of op Jeruzalem (de berg Sion ligt net buiten deze stad). Maar wat is die schat en wie is waar dood? U begrijpt dat de publicatie van deze ontdekte tekst voor velen aanleiding was om de schep ter hand te nemen en naar Rennes-le-Château af te reizen.

Behalve deze tekst staan er nog meer opvallende woorden in het document. De woorden "REDIS BLES" met daaronder "SOLIS SACERDOTIBUS" staan apart van de overige tekst. "Redis" is een oude naam voor Rennes-le-Château en "bles" betekent "koren", of in het Bargoens "goud". "Solis sacerdotibus" betekent "alleen voor de priesters" of "alleen voor ingewijden". Derhalve zou ook deze interpretatie een aanwijzing voor een verborgen schat kunnen zijn: "Het goud van Rennes-le-Château is alleen voor ingewijden".

Maar er is nog meer. De laatste letters van de laatste vier regels vormen ook een woord: "SION". Ditzelfde woord wordt ook gevormd door de lijn die door de kruisjes van regel vier en regel tien heen gaat. Slaat dit op de Prieuré de Sion? De afkorting "PS", rechtsonder, doet vermoeden dat dit inderdaad het geval is.

De lijn door de kruisjes en het driehoekje linksboven doen Lincoln besluiten om uit te proberen of er niet een geometrisch patroon te vinden is in dit document. Het eindresultaat is de constructie van een vijfpuntige ster. Deze vondst is de eerste aanleiding tot een geometrisch zoekprogramma, waarvan er vele zullen volgen. Zo hebben de Engelse schrijvers van het boek "De Tombe van God" (uit 1996), Richard Andrews en Paul Schellenberger, het werk van Lincoln verder uitgewerkt tot een ingewikkeld complex van figuren. Het belangrijkste geometrische patroon voor Lincoln zelf is het pentagram, waar ik later meer over zal vertellen.

Het grote document.

Ging het kleine document over het aren plukken op de sabbat, dit tweede document gaat over de zalving van de voeten van Jezus door Maria Magdalena in Bethanië. De Latijnse tekst is uit het evangelie van Johannes hoofdstuk 12, vers 1-12. Het document is moeilijk te lezen omdat er 128 letters zijn toegevoegd.

"Jezus dan kwam zes dagen vóór het Pascha te Bethanië, waar Lazarus was, die Jezus uit de doden had opgewekt. Zij richtten daar dan een maaltijd voor Hem aan en Martha bediende, en Lazarus was één van hen, die met Hem aan tafel waren. Maria dan nam een pond echte, kostbare nardusmirre, en zij zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten af met haar haren; en de geur der mirre verspreidde zich door het gehele huis. Maar Judas Iskariot, één van zijn discipelen, die Hem verraden zou, zeidde: Waarom is deze mirre niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven? Maar dit zeidde hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als beheerder der kas de inkomsten wegnam. Jezus dan zeidde: Laat haar begaan en het bewaren voor de dag mijner begrafenis; want de armen hebt gij altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd. De grote menigte uit de Joden dan kwam te weten, dat Hij daar was, en zij kwamen niet alleen om Jezus, maar ook opdat zij Lazarus zouden zien, die Hij uit de doden had opgewekt. En de overpriesters beraadslaagden om ook Lazarus te doden, daar vele Joden ter wille van hém kwamen en in Jezus geloofden".

Onder deze tekst staan op het document nog twee regels die vroeger in exact dezelfde vorm ook op het altaar van de kerk van Rennes-le-Château hebben gestaan, maar die "par sabotage" verdwenen zijn.  Ook op dit tweede document staan diverse tekens en afwijkende letters. Onderaan staat het woord "NOIS", met daarbij een "N" en een omgedraaide "A". Indien je het document omdraait, staat er het inmiddels bekende "SION". Verder zijn er acht letters kleiner geschreven dan de rest. Ook deze acht letters vormen een bekend woord: "REX MUNDI".

De letter "a" wordt steeds op deze manier geschreven. Behalve in regel 10: dan staat er "A", en behalve in regel 11: daar staat de Griekse letter omega. De alpha en de omega. Een begrip dat slaat op Christus zelf, die gezegd heeft: "Ik ben de Alpha en de Omega, het Begin en het Eind". Ook zijn er nog een aantal verlaagde letters. Deze letters vormen de woorden "PANIS SAL": "Brood en Zout". De alpha en de omega zijn zelf ook verlaagd en staan tussen de twee woorden in. Tot slot zijn er ook in dit document zijn een aantal verhoogde letters te vinden. Zij vormen de tekst: "AD GENESARETH", dat "Naar Genesareth" betekent. Het meer van Genesareth (oftewel Tiberias of Galilea) is een belangrijke plaats uit het Nieuwe Testament.

Voldoende stof voor allerlei speculaties. Echter, terwijl Henri Lincoln bezig was met de voorbereiding van een van zijn documentaires, kreeg hij een brief van Gérard de Sède waarin deze de code meedeelt die nodig is om het geheimschrift van het grote document te ontcijferen. De ontcijfering is een zeer ingenieus, complex systeem, dat beschreven wordt in Lincolns boek "Het Verborgen Heiligdom" (uit 1991). De ingewikkelde ontcijfering is hier niet van belang, maar wel de tekst die daardoor ontstaat, wederom in het Frans: "BERGERE PAS DE TENTATION QUE POUSSIN TENIERS GARDENT LA CLEF PAX DCLXXXI PAR LA CROIX ET CE CHEVAL DE DIEU J’ACHEVE CE DEAMON DE GARDIEN A MIDI POMMES BLEUES". De vertaling luidt: "Herderin geen verleiding dat Poussin en Teniers houden de sleutel vrede 681 door het kruis en dit paard van God ik voltooi (of: ik vernietig) deze demon bewaker op het middaguur blauwe appels".

De gedecodeerde tekst uit het tweede document is nog ingewikkelder dan die van het eerste. De interpretaties die daarop volgden zijn uiteraard navenant. Over "Poussin en Teniers houden de sleutel" is iedereen het wel eens. Dit heeft duidelijk betrekking op de schilderijen die Saunière volgens het Verhaal meegenomen heeft uit Parijs. Deze schilderijen zal ik later bespreken. Allereerst geef ik u de interpretatie van de tekst door Andrews en Schellenberger. Volgens hen is "bergère" een oud Frans woord voor "leunstoel". Nu staat er vlak bij Rennes-les-Bains een rotsblok, dat uitgehouwen is in de vorm van een stoel. Dit rotsblok heet "Fauteuil du Diable", oftewel "Leunstoel van de Duivel". Een paar meter hiervandaan is de "Source du Cercle", de "Bron van de Cirkel". Door het hoge ijzergehalte van de grond heeft het water dezelfde kleur als de huid van Asmodeus, die in de kerk van Rennes-le-Château staat. Aangezien zijn rechter duim en wijsvinger een cirkel vormen en hij een halfzittende houding heeft, is de verwijzing volgens hen duidelijk. Een stoel zonder Duivel is een stoel zonder verleiding: een "BERGERE PAS DE TENTATION". Zittende in deze Leunstoel kijk je uit, tussen de bomen door, op de Col Doux, de Vredige Heuvel, oftewel "PAX". Op de kaart van het I.G.N. is vlak bij het dorpje Terroles de Col d’Espinas te vinden. De hoogte van deze col wordt ook aangegeven: 681 meter, oftewel "DCLXXXI".  Op dezelfde kaart, even ten noorden van Alet-les-Bains is een spoorbrug met daarbij een calvaire ("Crx") aangegeven: "LA CROIX". De spoorbrug bij dit kruis, "LE CHEVAL DE DIEU", wijst naar de kerk in Espéraza. Op deze wijze is er een vierkant uit de tekst gereconstrueerd, met als hoekpunten de Col Doux, de Col d’Espinas, het kruis bij Alet en de kerk van Espéraza. Het middelpunt van dit vierkant ligt net ten oosten van Luc-sur-Aude vlakbij een huizengroep die volgens de kaart "Métairie de Luc" heet. De schrijvers ontdekken dat op een kaart van Cassini uit 1780 deze plaats "La Mort" wordt genoemd. Ondanks de associatie met "LA MORT" uit het eerste document, wordt er helaas niets gevonden. Opvallend is wel, dat deze plaats op de Top 100 kaart van het I.G.N. vanaf 1995 "Métairie de la Mort" wordt genoemd! Een leuke bijkomstigheid is het verhaal van de schrijvers dat zij, zoekende in de omgeving, een druivenplukkende dame tegenkomen. Zij geeft een paar trossen aan hen met de woorden: "Voilà messieurs, Pommes bleues?"

Uiteraard geeft ook dit tweede document aanleiding tot het zoeken naar geometrische patronen. Bovengenoemde schrijvers maken zeer ingewikkelde constructies uitgaande van de tekens die boven en onder de tekst staan. De gedetailleerd beschreven stappen die zijn nemen kunt u in hun boek lezen. Samengevat komt het er op neer dat zij een patroon hebben ontdekt, dat in beide documenten aanwezig is en dat vertaald kan worden naar een patroon op de landkaart. Hetzelfde patroon is volgens hen ook aanwezig in de genoemde schilderijen. Indien het patroon vervolgens geprojecteerd wordt op de kaart dan blijkt de locatie van de "schat" zich te bevinden op de hellingen van de berg Cardou, ten oosten van Rennes-le-Château. Dat deze plaats juist is wordt volgens hen bewezen door het feit dat de lijn die vanuit de kerk van Espéraza loodrecht naar de meridiaan* ("A MIDI") loopt, door de genoemde locatie gaat. Bovendien menen zij nóg een bewijs voor de juistheid van deze plek gevonden te hebben. Maar daarvoor moeten we zijn bij het graf van Marie de Negri.

*De nul-meridiaan van Parijs loopt door het gebied heen.

Deel 3 - Hoofdstuk 8: Het graf van Marie de Negri.

Het graf van Marie de Negri, de markiezin van Blanchefort, bestaat uit een liggende en een staande steen. De teksten die hier op stonden zouden onleesbaar zijn gemaakt door Saunière. Gelukkig zijn ze voor zijn daad door anderen genoteerd. De tekst van de staande (puntige) steen is in 1906 gepubliceerd door de Société d’Etudes Scientifiques de l’Aude. Het is een verslag van "L’excursion du 25 Juin 1905, à Rennes-le-Château", geschreven door E.Tisseyre. Van de liggende steen wordt geen melding gemaakt. Deze wordt wél beschreven door Eugène Stublein in zijn boek "Pierres Gravées de Languedoc". Hierin staat ook de tekst van de staande steen, net als in het andere boekje. Ook E.Cros, amateur-archeoloog en tijdgenoot van Saunière, heeft een versie van de grafstenen gemaakt. De tekst van de staande steen is weer dezelfde, maar op de liggende steen staan alleen de woorden "reddis / regis / cellis / arcis". Voor velen is bovenstaande een reden om te geloven dat de liggende steen nooit echt heeft bestaan. Maar vals of niet, beide stenen zijn afgedrukt in "Le Trésor Maudit" met het verhaal dat zij, net als de documenten, ontworpen zijn door Antoine Bigou. De tekst van de staande steen is de volgende: "CT GIT NOBLE MARIE DE NEGRE DARLES DAME DHAUPOUL DE BLANCHEFORT AGEE DE SOIXANTESEPT ANS DECEDEE LE XVII JANVIER MDCOLXXXI REQUIESCAT IN PACE". De vertaling hiervan is: "Hier ligt de edele Marie de Negri d’Ables, Dame d’Hautpoul de Blanchefort, oud zevenenzestig jaar, gestorven op 17 januari 1781. Moge zij rusten in vrede".

Wie de Franse tekst op de afbeelding goed leest, vallen onmiddellijk de afwijkingen op. De "M" van Marie is apart geschreven, en drie keer is de letter "e" kleiner weergegeven. Bovendien staan er schrijffouten in de woorden: "CI ", "NEGRI ", "ABLES" en "MDCCLXXXI". Deze acht afwijkende letters vormen samen de woorden "MORT EPEE", "Dood - Zwaard". De woorden "requiescat in" staan geschreven als "requies catin". Het Franse woord "catin" betekent "hoer", hetgeen zou kunnen slaan op Maria Magdalena, de vrouw over wie het in het grote document gaat. Zij wordt vaak voorgesteld als een vrouw van lichte zeden die later spijt krijgt van haar zonden. De woorden "MORT EPEE" nu, vormen de sleutel van de code waarmee het grote document kan worden ontcijferd. Wat is namelijk het geval? De gedecodeerde tekst vormt een anagram* van de tekst van de staande steen, waar de woorden "PRAE CUM" aan toegevoegd zijn! Dit verklaart tevens waarom er op het graf "Haupoul" staat i.p.v. "Hautpoul". Immers, anders klopt het anagram niet. U begrijpt, of het nu een vervalsing is of niet, of het nu door Bigou is gemaakt of door de Chérisey of door wie dan ook, het is een ongelooflijk ingenieus systeem. Vooral als u de ontcijfering heeft gelezen, zult u er van overtuigd zijn dat het al een prestatie op zich is om iets dergelijks te verzinnen. Er zal heel wat tijd in hebben gezeten om het voor elkaar te krijgen. Het zal dus wel zeer de moeite waard zijn geweest.

De liggende steen bevat nog meer aanwijzingen. Midden bovenaan staat weer "PS" in hetzelfde teken als op het eerste document. Onderaan staat "PRAE-CUM", de woorden die het anagram compleet moesten maken. Over de verdere betekenis van deze woorden wordt verschillend gedacht. "Prae" is het Latijnse woord voor "voor" en "Cum" betekent "met". Volgens Noël Corbu is het een samenvoeging van "Prae-conum", dat "afkomstig van de Tempeliers" betekent. De betekenis van de spin** onderaan kan op velerlei manieren worden uitgelegd. Omdat de diverse schrijvers ook zelf hun twijfel uitspreken over hun interpretaties, zal ik ze hier niet noemen.

Vervolgens zien wij de woorden "REDDIS REGIS CELLIS ARCIS". Deze Latijnse woorden hebben elk meerdere betekenissen: "REDDIS": "jij brengt terug", "jij herstelt" of het is de oude naam voor Rennes-le-Château. "REGIS": "jij heerst" of "van de koning". "CELLIS": "naar (met) de opslagplaatsen". "ARCIS": "van het kasteel" (afgeleid van "arx"), "naar (met) de doodskisten/geldkisten" (afgeleid van "arca") of "naar (met) de gewelven/bogen (afgeleid van "arcus"). Mogelijkheden genoeg dus. Andrews en Schellenberger hebben de tekst als volgt vertaald: "Jij heerst over Rennes" en "Naar de opslagplaatsen van het kasteel". Deze vertaling leidt ons vervolgens naar de kastelen van Blanchefort en Arques. Deze kastelen hebben een belangrijke functie in het Verhaal en maken onderdeel uit van het geheimschrift van de liggende grafsteen. Hierop staan twee kleine Tempelierskruisen afgebeeld en een verticale lijn met twee pijlpunten. De schrijvers ontdekten dat de lijn die de twee kruisen met elkaar verbindt, de verticale lijn precies in het midden snijdt. De hoek waaronder de lijnen elkaar snijden is 60°. Alweer geometrie, dus. Zij meenden dat de verticale lijn de meridiaan voorstelt, en dat het de bedoeling is dat je een lijn vanuit Château Blanchefort en Château d’Arques tekent die een hoek maakt van 60° op de meridiaan. Indien je dit op de landkaart doet dan blijkt dat het snijpunt van deze twee lijnen op de helling van de berg Cardou komt te liggen, vlak bij de plaats die zij hadden bepaald met behulp van de tekst uit het grote document. Of zij gelijk hebben met hun vertalingen en interpretaties weet ik niet, maar het is in ieder geval wel frappant te noemen, dat zij met twee totaal verschillende methodes nagenoeg op dezelfde plaats uitkomen.

* Een anagram is een woord dat door letterverplaatsing uit een ander woord is ontstaan. ** Het Franse woord voor spin is araignée.

Et in Arcadia Ego…

Maar er staat nóg meer op de liggende steen. Het is de verticale tekst, aan de linker en aan de rechterkant. Hij bestaat uit woorden die gedeeltelijk in het Latijn, en gedeeltelijk in het Grieks geschreven zijn: "ET IN ARCADIA EGO", "En in Arcadië ik". Het is een spreuk die we meer zullen tegenkomen. De tekst staat bij voorbeeld ook in het familiewapen van Pierre Plantard, die nadrukkelijk stelt dat er na het woord "ego" nog drie puntjes moeten volgen. Sommigen menen dat het een anagram is voor "I, TEGO ARCANA DEI", "Gaat heen, ik verberg de geheimen van God". Voor zover bekend is de spreuk voor het eerst gebruikt op een schilderij van Il Guercino uit 1618. Een paar jaar later schilderde Poussin de tekst op zijn werk "Les Bergers d’Arcadie", "De Herders van Arcadië".

Deel 3 - Hoofdstuk 9: Schilderijen.

"Le Trésor Maudit" blijkt een goede bron van informatie. De Franse tekst die uit het tweede document is ontcijferd spreekt van "Poussin en Teniers, die de sleutel houden". Samen met het verhaal dat Saunière kopieën van drie schilderijen uit het Louvre zou hebben meegenomen, geeft dit een goed aanknopingspunt. Of alles op waarheid berust, is niet zo zeer van belang. De aanwijzingen zijn het belangrijkst!

Het eerste schilderij wordt praktisch met name genoemd: "Les Bergers d’Arcadie" van Nicolas Poussin. Deze Franse schilder leefde van 1593 tot 1665 en heeft voornamelijk in Italië gewerkt. Zijn onderwerpen hebben meestal een historische of mythologische achtergrond. Van 1640 tot 1642 werkte hij in Parijs aan de decoraties van het Louvre, in opdracht van Lodewijk XIII. - Een baan, waar overigens ook de Vlaamse schilder Anthonie van Dijck (tevergeefs) op solliciteerde.- Van "De Herders van Arcadië" heeft Poussin twee versies gemaakt. Het eerste schilderij is geschilderd rond 1630 en maakt nu deel uit van de Devonshire Collection in Chatsworth. Op het schilderij zijn herders afgebeeld die tot hun verbazing de tekst "Et in Arcadia Ego" lezen. Een vrouwfiguur kijkt enigszins verontrust mee over hun schouders. Net als bij Il Guercino staat de tekst op een graftombe met daar bovenop een schedel. De tweede, bekendste versie is gemaakt omstreeks 1640 en bevindt zich thans in het Louvre in Parijs. Ook hier is een aantal herders afgebeeld, wijzend naar de bekende tekst op een graftombe. Het grote verschil met de eerdere versie is dat de schedel is verdwenen, en de herders niet langer verbaasd zijn. Ook de vrouwfiguur (de Dood?) heeft een andere, meer berustende uitstraling.

In het Engelse Staffordshire is er bij Shugborough Hall een monument – "the Shepperd’s Monument"- dat een gespiegelde kopie is van de tweede versie van het schilderij van Poussin. Het is in de 18e eeuw gemaakt door Peter Scheepmakers. Alleen is de graftombe anders uitgevoerd, namelijk als de tombe uit de eerste versie. Onder het reliëf staan de letters "O.U.O.S.V.A.V.V.", met daaronder "D." en "M.". Deze zeer mysterieuze afkortingen heeft helaas nog nooit iemand kunnen verklaren. Van de eerste uitvoering van "Les Bergers" is overigens in Shugborough Hall een getekende versie te vinden, nu eigendom van de Hertog van Devonshire, eveneens uit de 18e eeuw. Blijkbaar waren de bewoners van het landgoed zeer geïnteresseerd in deze Poussins, want er is ook nog een portret te vinden van ene Lady Anson, in 1751 gemaakt door Thomas Hudson, waarop zij een kopie van de eerste Poussin in haar hand houdt. Lady Anson was de vrouw van Admiraal George Anson, met wie ze veel tijd doorbracht op het landgoed van de earls van Lichfield. De huidige earl, Patrick Lichfield, is een neef van koningin Elisabeth en woont op Shugborough Hall.

Begin jaren zeventig werden door het Louvre röntgenfoto’s van "Les Bergers d’Arcadie" gemaakt. Na het bestuderen van deze foto’s ontdekte Henri Lincoln dat Poussin zijn schilderij was begonnen met het uitzetten van de staffen van de herders, aangezien de graftombe aanvankelijk over een gedeelte van een staf heen was geschilderd. Door deze vondst werd het vermoeden gewekt dat ook in dit schilderij een verborgen geometrie aanwezig kon zijn. Hij liet het schilderij analyseren door professor Conford van het Royal College of Art, die een studie had gemaakt naar geometrische structuren in middeleeuwse schilderijen. Deze kwam tot de conclusie dat de opbouw van het schilderij pentagonaal was. Oftewel, volgens zijn analyse werd de maat van het schilderij gevormd door een pentagram, waarvan het centrum viel op het voorhoofd van de vrouwfiguur.

In 1994 werd in Parijs een grote overzichtstentoonstelling gehouden van het werk van Poussin. Om "Les Bergers d’Arcadie" goed te kunnen reinigen werd deze door de Réunion des Musées Nationaux, die ook de werken van het Louvre beheert, uit de lijst gehaald. Daarbij bleek dat een gedeelte van het schilderij door de lijst aan het zicht onttrokken was. Oorspronkelijk moet het het schilderij een stuk hóger zijn geweest dan de versie die thans te zien is (volgens het R.M.N. 85 x 121 cm). De vraag wie verantwoordelijk is geweest voor deze verandering zal waarschijnlijk nooit kunnen worden beantwoord. Het vermoeden bestaat dat dit in opdracht van koning Lodewijk XIV is gebeurd. De originele, "verhoogde" uitvoering van het schilderij stelde de schrijvers Andrews en Schellenberger in staat om een, naar hun mening, exacte analyse uit te voeren. Het gevolg was een zeer complex geheel aan diagrammen, dat hen -zoals u weet- uiteindelijk zou brengen tot de lokalisering van de "schat".

De graftombe.

In 1971 werd (op aanwijzingen van Gérard de Sède) in de buurt van Rennes-le-Château een graftombe ontdekt. Hij stond langs de weg bij "Les Pontils", ergens tussen de dorpjes Serres en Arques. Deze tombe bleek exact dezelfde te zijn als die op "Les Bergers d’Arcadie" uit 1640 van Poussin. Bovendien werd ontdekt dat niet alleen de tombe dezelfde was, maar ook de locatie, getuige de overeenkomst van het landschap op de achtergrond. Natuurlijk trok de publicatie van deze vondst talloze schatgravers aan. Behalve de lichamen van de vrouw en de moeder van de voormalige eigenaar van het stuk land, werd er echter niets gevonden. Maar nieuwsgierigen zorgden voor steeds meer overlast. Toen een van de "onderzoekers" zelfs explosieven gebruikte, werd het de huidige eigenaar te veel, en liet in 1988 de resten van de tombe verwijderen. Overigens was deze tombe niet de originele. Deze was in de 17e eeuw vernietigd in opdracht van Lodewijk XIV. De reden hiervoor kan misschien door het volgende worden verklaard.

Nicolas Foucet, financieel deskundige aan het hof van deze koning, kreeg in 1656 een brief van zijn broer, die abt was in Rome. Deze abt had onlangs bezoek gehad van Nicolas Poussin. In de brief staat een merkwaardige passage: "De heer Poussin … en ik hebben bepaalde zaken besproken die ik je graag uit de doeken zal doen. Zaken die je, via Poussin, voordelen kunnen brengen die zelfs koningen met moeite van hem gedaan zouden krijgen en die volgens hem misschien niemand anders in de komende eeuwen zal ontdekken. En wat meer is, de kwestie vraagt weinig kosten en kan zelfs in winst worden omgezet, en deze zaken zijn zo moeilijk te ontdekken dat niets op deze aarde van meer waarde of zelfs gelijke waarde kan zijn"… Een aantal jaren later kocht Lodewijk XIV "Les Bergers d’Arcadie", liet het in zijn kelders opbergen, en gaf opdracht de tombe te vernietigen. De tombe die tot 1988 bij Les Pontils te zien was, was waarschijnlijk gebouwd eind 19e eeuw. Wie de bouwers waren is niet bekend.

David Teniers.

Omdat het Verhaal niet vermeldt om welk schilderij het gaat, zoals bij dat van Poussin, was het opsporen van het schilderij van Teniers een langdurige zaak. Er zijn twee schilders die David Teniers heten: "de Oude" en "de Jonge", de vader en de zoon. De vader leefde van 1582 tot 1649 en woonde bijna continue in Antwerpen, waar hij voornamelijk bijbelse taferelen en landschappen schilderde. Zijn zoon, en leerling, leefde van 1610 tot 1690 en woonde eveneens hoofdzakelijk in Antwerpen. Zijn schilderijen gingen aanvankelijk over het boerenleven, maar later schilderde hij ook bijbelse taferelen en interieurs van schilderijenzalen. Hij was een zeer productieve schilder, in zijn leven maakte hij meer dan tweeduizend schilderijen.

Halverwege de jaren negentig gingen Andrews en Schellenberger op zoek naar het schilderij van Teniers. Al gauw bleek dat het door Teniers de Jonge gemaakt moest zijn. De zoektocht die volgde eindigde in de Western Art Library van het Ashmolean Museum in Oxford. Daar stuitten zij op het schilderij "Sint Antonius en Sint Paulus". Het had op het kasteel van de tweede Lord Palmerston gehangen en was in 1942 aangekocht door Edwina Ashley, oftewel gravin Mountbatten. Het schilderij stelt Sint Antonius de Kluizenaar en Sint Paulus de Kluizenaar voor. Antonius de Kluizenaar leefde van 250 tot 355 in Egypte. Een groot deel van zijn leven bracht hij in eenzaamheid in de woestijn door. De laatste fase van zijn leven was hij weer onder de mensen en bestreed vooral het arianisme. Hij is op schilderijen o.a. te herkennen aan zijn staf en aan een "T" (de Griekse letter tau). - Vaak wordt hij verward met Antonius van Padua die in 1220 toetrad tot de orde der Franciscanen en predikte tegen de leer van de Albigenzen. - De andere Kluizenaar is Paulus van Thebe, die in Egypte leefde van 228 tot 341. Hij bracht 60 jaar door in de woestijn en werd vlak voor zijn dood door Sint Antonius gevonden. Pas na het verschijnen van hun boek, waarin uiteraard de geometrische patronen van het schilderij werden onthuld, werd bekend dat Henri Lincoln al twintig jaar eerder een kopie van "St.Antonius en St.Paulus" onder ogen was gekomen. Het schilderij heette "Elijah and Elisha being fed by the ravens", en bevond zich op Shuborough Hall. Alleen is het schilderij wat kleiner en zijn er een aantal subtiele verschillen met het origineel zichtbaar.

Celestinus V.

Ook bij het zoeken naar het schilderij van Celestinus V hadden Andrews en Schellenberger succes. Omdat het niet bekend was door wie het geschilderd is, vonden zij halverwege de jaren negentig een schilderij van Celestinus bij de anonieme werken, achter in een catalogus van het Louvre. In de archieven van de Réunion des Musées Nationaux, de Vereniging van Nationale Musea die ook alle werkstukken van het Louvre bijhoudt, vond een enthousiaste medewerker het bijhorende negatief. Het bleek een schilderij te zijn van de kroning van paus Celestinus V, waarin de schrijvers opnieuw stuitten op geometrische patronen.

Zo veel als er bekend is van de vorige twee schilderijen, zo weinig is er bekend van dit schilderij. Waarschijnlijk werd het eind 16e eeuw gemaakt. Over Celestinus V zelf is wel het een en ander bekend. Het is de Italiaanse kluizenaar Pietro da Murrone (1215-1296), die in 1254 de orde der "Celestijnen" had opgericht. Hun abdij stond op de berg Murrone in de Abruzzen. In 1294 werd hij tegen zijn zin in tot paus Celestinus V gekozen, hetgeen op het schilderij wordt afgebeeld. Na vijf maanden stopte hij al met dit ambt om weer kluizenaar te worden. Om een schisma te voorkomen hield zijn opvolger Bonifatius VIII hem tot zijn dood gevangen. In 1313 werd hij door paus Clemens V op verzoek van Filips IV de Schone heilig verklaard.

Deel 3 - Hoofdstuk 10: Geometrie.

Blijkbaar speelt de geometrie in het Verhaal een belangrijke rol. We komen het immers iedere keer weer tegen. De geometrie in zijn algemeenheid kan voor diverse doeleinden gebruikt worden. Niet alleen voor puur wiskundige berekeningen, maar ook voor het overbrengen van geheimen en voor het vormen van symbolen. Esoterische en occulte groeperingen maken maar wat graag gebruik van de diverse patronen. Doet men er tegenwoordig nogal geheimzinnig over, in de middeleeuwen hielden vele wetenschappers zich hier mee bezig. Zo was voor mystici in de middeleeuwen de planeet Venus het symbool voor Maria Magdalena. Deze planeet komt in zijn baan om de zon op vijf gelijke tijdstippen in één lijn te staan met de zon en de aarde. De denkbeeldige verbindingslijnen van die momenten vormen een vijfpuntige ster, een pentakel genoemd. De verbindingslijnen van deze pentakel vormen een pentagram. Op deze manier wordt het verband gelegd tussen Maria Magdalena en het pentagram. Maar ook bestaat er een verband tussen Maria Magdalena en Rennes-le-Château, getuige de naam en de decoraties van de kerk, de naam van de toren en de Villa, de tekst van de documenten, etc. Volgens Henri Lincoln is het daarom onmiskenbaar dat het pentagram het onzichtbare symbool is van het Mysterie. Het is volgens zijn analyse verborgen in het eerste document en volgens professor Conford is het ook gebruikt voor het schilderij van Poussin. Een nieuwe vondst van nóg een pentagram was het volgende bewijs van deze theorie.

Geografische geometrie.

Professor Conford stelde Henri Lincoln voor om de kaart van het gebied rond Rennes-le-Château te controleren op pentagonale vormen. Beginnende bij het dorp zelf, vond hij een driehoek bestaande uit de kastelen van Rennes-le-Château, Blanchefort en Le Bézu. De hoeken waren dusdanig (36°-72°-36°) dat er wel een pentagram moest bestaan. De andere twee hoekpunten waren derhalve snel gevonden. Het waren de toppen van de bergen La Soulane en de Serre de Lauzet. Volgens Lincoln moet dit "Pentagram van de Bergen" in vroegere tijden als een Tempel hebben gefungeerd. Met het gebied rond Rennes-le-Château is duidelijk iets bijzonders aan de hand is. De streek is bezaaid met kerken, kastelen en ruïnes. Binnen een straal van zo’n 10 kilometer rond het dorp bevinden zich ongeveer 35 kerken en 15 kastelen! Op het eerste gezicht staan ze willekeurig op de kaart, maar bij nauwkeurige bestudering blijken de locaties en onderlinge afstanden zeer bewust gekozen te zijn. Vele afstanden zijn gelijk en vaak staan de gebouwen in een wiskundig patroon. (In de bijlage heb ik een aantal afstanden op een rij gezet, gebruik makend van kaart nummer 2347 OT Quillan, van het Institut Géografique National.) Een mooi voorbeeld van deze bijzondere positionering is de cirkel die op deze kaart getrokken kan worden met de kerk van Espéraza als middelpunt en een straal van 18,65 centimeter*. Hierop komen vier kerken te liggen: de kerken van Les Sauzils, St.Ferriol, Granès en Coustaussa. Ook de ligging van deze kerken op de cirkel is niet toevallig: er kan een hexagram, oftewel een Davidsster, mee geconstrueerd worden. Ditzelfde teken, ook wel Zegel van Salomo genoemd, kan men ook zien op de grote ronde zijramen van de kerken van Limoux en Alet-les-Bains. In de St.Vincent kathedraal in Carcassonne is in een van de ramen het andere teken, de vijfpuntige ster, te zien. Zijn het verwijzingen naar dit patroon op de kaart?

* Volgens Henri Lincoln is de afstand 18,67 centimeter. 

De Dalle de Coume Sourde.

Nog een verwijzing naar het belang van de geometrie is de zogenaamde "Dalle de Coume Sourde". Deze dalle (steen) zou in 1928 gevonden zijn door de al eerder genoemde amateur-archeoloog Cros. De vindplaats was vlak bij de huizengroep "Coume-Sourde", ten zuidwesten van Rennes-les-Bains. Ook aan de echtheid van deze steen wordt vaak getwijfeld, aangezien niemand hem ooit heeft gezien. Wel heeft Cros een beschrijving en een tekening van de inscripties ervan gemaakt. De inscriptie bestaat uit een gelijkbenige driehoek met daarbinnen een kleinere gelijkbenige driehoek. Op de middellijn staan twee Tempelierskruisen. Binnen de driehoek staat een Latijnse tekst: "IN MEDIO LINEA UBI M SECAT LINEA PARVA": "De lijn in het midden waar de kleine lijn de M snijdt".

Verder zien we "P.S" en "PRAECUM", dat we al eerder waren tegengekomen, en tenslotte de woorden "SAE" en "SIS". Helaas heeft nog niemand voor deze laatste twee woorden of afkortingen een verklaring kunnen vinden. Het belang van de inscripties blijkt alleen al uit het feit dat ze gepubliceerd zijn in (alweer) "Le Trésor Maudit". 

Tot slot.

De laatste ontdekking die ik wil noemen - ten minste, die zijn gedaan door anderen - is een zeer fraaie. Ik heb u in de inleiding al gezegd dat ik iets tastbaars nodig heb om overtuigd te raken. En zeer overtuigend is een driehoek, gepubliceerd door Andrews en Schellenberger, met als hoekpunten het kasteel van Blanchefort, de donjon van het kasteel van Arques, en de kerk van Peyrolles. Deze gebouwen zijn zodanig geconstrueerd dat er een "perfecte" driehoek ontstaat van 30° - 60° - 90°. Dit prachtige geometrische patroon, voor iedereen op eenvoudige wijze te controleren op de kaart, kan onmogelijk op toeval berusten. Daarvoor is het té perfect. Vandaar dat ik in het najaar van 1998 besloot om mij hierin verder te gaan verdiepen. Met alle gevolgen vandien...



Deel 4: Eigen onderzoek.

De spiegel is het symbool van la verità
immers zij spreekt de waarheid

Cesare Ripa (1593)


Deel 4 - Hoofdstuk 11: Geografische Geometrie.

In de tweede helft van de 11e eeuw werd in opdracht van de Duitse Keizer Hendrik III het "Utrechts kerkenkruis" gebouwd. De Paulusabdij en de Janskerk vormden samen met de Pieterskerk en de (inmiddels gesloopte) Mariakerk een perfect kruis, met als middelpunt de Domkerk van Utrecht. Ook elders in de wereld zijn er voorbeelden van geografische geometrie te vinden. Wat dacht u van de piramiden van Gizeh in Egypte? Zij staan zodanig ten opzichte van elkaar dat ze een perfecte kopie vormen van het sterrenbeeld Orion! Of de regeringsgebouwen in Washington, die door de Vrijmetselaars in een vierkant zijn neergezet en waarvan het Pentagon een prachtig gebouw is in de vorm van een pentagram. Maar nergens is de geografische geometrie zo nadrukkelijk aanwezig als in het gebied rond Rennes-le-Château. Ook hier zijn kerken te vinden die, net als in Utrecht, met elkaar in een kruisvorm staan. Zoals bijvoorbeeld de kerken van Antugnac, Bouriège, Conilhac, La Serpent en die van Espéraza, St.Julia, Granes, St.Ferriol. Niet alleen vormen hun verbindingslijnen een kruis, maar in hun verhouding zijn beide kruisen even groot (zie Bijlage). Ook zijn in het gebied ingewikkelder patronen van kerken en kastelen te vinden en zal een ieder die zich over de kaart buigt, gewapend met passer en liniaal, talloze "nieuwe" geometrische figuren vinden. Waar ik het nu over wil hebben is geenszins een complex patroon. Maar waarschijnlijk door zijn eenvoud is de constructie, die ik nu ga bespreken, lang verborgen gebleven. Zeker de zaken die er uit voortkomen, want die zijn zo mooi en onverwacht dat iedere "buitenstaander", zoals ikzelf, keer op keer versteld staat van wat er onder zijn ogen verschijnt. "Solis sacerdotibus" staat er op een van de documenten, die door Saunière zijn gevonden. "Alleen voor ingewijden". Hoor ik daar nu een beetje bij? En u straks ook?

De Blanchefort-geometrie.

In de geschiedenis van het gebied en in het Verhaal van Saunière heeft het geslacht Blanchefort een prominente rol gespeeld. Ook viel het mij op dat het kasteel van Blanchefort vaak wordt vermeld als onderdeel van een van de gevonden geometrische patronen. Omdat ik er van overtuigd was dat er meer aan de hand was, nam ik nogmaals de kaart van het gebied voor me. Als uitgangspunt nam ik het fraaie patroon, bestaande uit de kerk van Peyrolles, de donjon van het kasteel van Arques en het kasteel van Blanchefort. Deze drie bouwwerken vormen, zoals gezegd, de hoekpunten van een 30°-60°-90° driehoek. Alleen is de positionering nog exacter dan de ontdekkers Andrews en Schellenberger hebben beschreven. Na onderzoek ter plekke werd het mij duidelijk dat gaat om de donjon van het kasteel van Blanchefort, en de absis van de kerk van Peyrolles. De absis is het ronde gedeelte van de kerk waar het altaar staat. Om aan te tonen hoe vakkundig men te werk is gegaan, is het nodig om een paar wiskundige kenmerken van een dergelijke driehoek aan te geven. Ik zal dit op eenvoudige wijze doen, zodat niemand zal worden afgeschrikt, en voor iedereen de interesse zal worden gewekt.

Een 30°-60°-90° driehoek heeft namelijk als kenmerk dat de korte rechthoekszijde de helft is van de schuine zijde (in de tekening is Peyrolles-Blanchefort de helft van Blanchefort-Arques). Het midden van Blanchefort-Arques is punt D. De nieuw ontstane driehoek PBD is gelijkzijdig: alle drie de zijden zijn gelijk. Ook zijn van deze driehoek alle drie de hoeken gelijk. Aangezien de hoeken van een driehoek altijd samen 180° zijn, hebben we nu dus drie hoeken van 60°. Na deze korte wiskundeles, zal blijken dat men ook in de middeleeuwen bekend was met de kenmerken van deze driehoek. Want de bouwers van dit patroon in Zuid-Frankrijk, die ik de "Blanchefort-geometrie" zal noemen, hebben precies in het midden van de driehoek PBD ("S") het kasteel van Serres gebouwd. En wel zó precies, dat het genoemde punt "S" valt op het westelijke torentje ervan. Een torentje, dat overigens erg veel gelijkenis vertoont met de Tour Magdala in Rennes-le-Château. Zou Saunière soms ook op de hoogte zijn geweest van deze geometrie?

Ik legde een vel transparant papier op de kaart en ging, uitgaande van Blanchefort*, verder zoeken met passer en liniaal. Na een tijdje vond ik, vrij dichtbij, de kerk van Cassaignes. Het bleek dat de afstand van Blanchefort naar Cassaignes even groot was als de afstand van Blanchefort naar Serres. En dat niet alleen, want toen ik de punten met elkaar verbond, bleek er wederom een "perfecte" driehoek te ontstaan: een van 45°-45°-90° !

* Voor het gemak kort ik "het kasteel van Blanchefort" af tot "Blanchefort". Hetzelfde geldt voor "de donjon van het kasteel van Arques": "Arques", "het torentje van het kasteel van Serres": "Serres", "de kerk van Peyrolles" (Cassaignes/etc.): "Peyrolles" ("Cassaignes"/etc.) 

Drie constructielijnen.

Dat was een goede start. Al spelende met de kaart verlengde ik de lijn Cassaignes-Blanchefort. Het viel mij op dat deze lijn niet alleen door de berg Cardou liep, maar ook vlak langs de plaats die door Andrews en Schellenberger was bepaald als zijnde de locatie van de "schat". Of hun verhaal nu de waarheid weergeeft of niet, en of je het nu eens bent met hun interpretatie of niet, het feit blijft dat "mijn" lijn vlak langs hun "locatie" liep! Dat zette me aan het denken. Want stel dat dit geometrisch patroon speciaal gemaakt zou zijn om op een of andere manier een plek aan te wijzen. Dan zou het mooi zijn om uit te vinden op welke manier dit gebeurt en waar die plek zich precies bevindt. Ik ging dus vol goede moed op zoek naar nog een lijn die ongeveer door genoemde "locatie" gaat. Na lang zoeken vond ik de tweede lijn die aan deze eis voldeed. Het was de deellijn van de hoek Blanchefort-Peyrolles-Serres. Het snijpunt lag wel een meter of honderd meer naar het zuidwesten dan de "locatie", maar dat maakte niet uit. Misschien was deze methode om de plek aan te wijzen nauwkeuriger. Gauw verder zoeken. Helaas viel er uit de driehoeken geen lijn meer te halen, die ook maar enigszins in de buurt kwam.Toen schoot me nog een mogelijke derde lijn te binnen. Het was de lijn van het graf van Marie de Nègri. Aangezien ik wist dat deze min of meer naar de "locatie" liep, had ik een vermoeden dat ook deze lijn een belangrijke rol zou kunnen gaan spelen. Derhalve construeerde ik een lijn vanuit Arques onder een hoek van 60° op de nulmeridiaan van Parijs, die tussen Serres en Arques door loopt. Tot mijn verbazing ging deze lijn exact door het snijpunt van mijn vorige twee constructielijnen! Drie lijnen door één punt! Dat kon toch geen toeval zijn! Was mijn "Punt X" de echte locatie? Waren die kerken en kastelen werkelijk zo neergezet om door middel van deze drie constructielijnen op een verborgen manier een "Geheime Plaats" aan te wijzen?

Deel 4 - Hoofdstuk 12: De Blanchefort-geometrie.

Omdat ik benieuwd was of het gevonden "Punt X" op zichzelf stond of ook op andere verborgen manieren zou kunnen zijn aangegeven, ging ik hier naar op zoek. Een van de eerste dingen die me opviel was dat Punt X in één lijn lag met de rots van de Tempelierspost bij Le Bézu en met de kerk van Serres. Voor mij was hiermee bewezen dat de Tempeliers op de hoogte waren van het bestaan van de Blanchefort-geometrie (Het toeval wilde trouwens dat ik deze lijn ontdekte op 13 oktober, de dag dat alle Tempeliers in 1307 waren opgepakt). Ik had alleen wel verwacht dat de lijn naar het kasteel van Serres zou lopen in plaats van naar de kerk. De reden hiervan kon ik pas veel later ontdekken, en zou mij leiden naar de oorsprong van deze geometrie. Het volgende dat ik bemerkte was de afstand van de Tour Magdala, in Rennes-le-Château, naar Punt X. Deze is op de kaart namelijk 19 centimeter en exact even groot als de afstand van de kerk van Rennes-le-Château naar die van Rennes-les-Bains en naar die van Campagne-sur-Aude. Nu is Campagne een oude commanderie van de Tempeliers. Wordt door de samenhang van deze kerken nogmaals het verband aangetoond met de Tempeliers? En wilde Saunière met zijn Tour Magdala een verband aantonen tussen de Geheime Plaats en Maria Magdalena? Voorlopig bleef het nog gissen.

Ik ging weer verder met zoeken. Ik nam het midden van de afstand tussen Peyrolles en Serres. Hier scheen iets mee aan de hand te zijn, aangezien Pierre Plantard het er ooit over had gehad. In een interview noemde hij een meridiaan, die tussen beide plaatsen door liep en die door een bepaald graf ging. Het betrof het graf in Rennes-les-Bains van de moeder en de zuster van Henri Boudet, destijds pastoor van het dorp. Ook noemde hij een zogenaamde "Roze Lijn" die tussen de twee plaatsen door liep. Met deze gegevens in gedachte tekende ik door het midden van Peyrolles-Serres een lijn evenwijdig aan de nulmeridiaan. Deze bleek rechtstreeks naar de kerk van Rennes-les-Bains te gaan (Alleen ging de lijn niet door het genoemde graf, aangezien het kerkhof àchter de kerk ligt). Een ander opvallend feit was dat de afstand van dit punt naar de kerk even groot was als die naar het kasteel van Arques. Ik wilde nog meer concrete bewijzen hebben van mijn, op de kaart onzichtbare, Geheime Plaats. En die vond ik door de lijn Cassaignes-Punt X. Hoewel het verlengde naar het zuidoosten net niet door de ruïne van kasteel Montferrand gaat, snijdt het verlengde naar het noordwesten de verbindingslijn van de kerken van Peyrolles en Luc-sur-Aude. Het snijpunt bleek niet op een toevallige plek, want de afstand hiervan tot Cassaignes is even groot als de afstand van Cassaignes tot Punt X ! Een paar honderd meter ten zuiden van dit snijpunt ligt de ons bekende "Métairie de la Mort". Voelende dat ik werkelijk iets bijzonders op het spoor was, zocht ik dagenlang de kaart af naar nog meer aanwijzingen. Dit zoeken bracht me tot de volgende bevestiging. Deze werd gegeven door de Dalle de Coume Sourde.

De Dalle de Coume Sourde.

In deel 2 heb ik de herkomst en de inscripties van deze steen besproken. De vertaling van de Latijnse tekst luidt: "De lijn in het midden, waar de kleine lijn de M snijdt". Een vrije vertaling hiervan is: "In het midden van de lijn, waar de M de kleine lijn snijdt". Na een dag "geometrie" werd ik midden in de nacht wakker en flitste door mijn hoofd dat de geometrie van de Dalle misschien iets met mijn onderzoek te maken had. Een gelovige zou het een visioen noemen, maar ik noem het een helder moment in een slaperig hoofd. Ik zag de gelijkbenige driehoek met daarin de kleinere gelijkbenige driehoek. De "M" zou de meridiaan kunnen zijn, zoals anderen voor mij ook al hadden gesuggereerd, en met "LINEA PARVA" zou de lijn Peyrolles-Serres kunnen worden bedoeld. De volgende dag tekende ik een vergroting van de Dalle-geometrie op een transparant en nam de "Kleine Lijn" even groot als Peyrolles-Serres. Toen ik deze constructie op de kaart legde, waarop ook de transparant met de Blanchefort-geometrie lag, klopte er tot mijn teleurstelling weinig van. Het enige wat overeenkwam was een hoek van 30°. Maar hoe ik de constructie ook wende of keerde, het paste niet.

Toen herinnerde ik mij dat er vrij veel "aanwijzingen" in het Verhaal zijn die spiegelingen betreffen. Ik heb al de gespiegelde versie genoemd van "Les Bergers d’Arcadie" in het Engelse Shugborough Hall. Maar ook in "Le Trésor Maudit" zijn aanwijzingen te vinden. In dit boekje is een schilderij afgebeeld dat in de kerk hangt van Rennes-les-Bains. Het is een gespiegelde kopie van een schilderij van Van Dijck, dat in Antwerpen hangt. Bovendien schrijft Gérard de Sède dat het aan de oostelijke wand hangt, maar in werkelijkheid hangt het aan de wéstelijke wand. Nog een aanwijzing gaf deze schrijver in 1973, toen hij Henri Lincoln foto’s opstuurde van een "schat" die de schat van Saunière moest voorstellen. Later bleek dat dit foto’s uit een museum waren van de zogenaamde "schat van Petrossa", maar dan in spiegelbeeld afgedrukt. Ook het graf van Saunière geeft op deze manier een aanwijzing. Op het kruisbeeld op zijn graf staat de afkorting "INRI" ("Jesus Nazarenus Rex Judaeorum": "Jezus de Nazarener, Koning der Joden"). Nu staat dit wel vaker boven aan een kruisbeeld, maar in dit geval is de "N" in spiegelschrift ! Omdat de geometrie van de Dalle, zoals ik hem uit het boek haal, symmetrisch is opgebouwd, heeft het spiegelen misschien een functie. Ik nam daarom een spiegeltegel en plaatste hem op de Blanchefort-geometrie, die nog op de kaart lag. Ik hield hem zodanig, dat hij vanaf Serres evenwijdig aan de meridiaan omhoog liep. Het is onmogelijk te beschrijven wat er door me heen ging toen ik in de spiegel keek. Verbazing, euforie en schrikken tegelijk. Want in de spiegel verscheen de beeltenis van de Dalle de Coume Sourde! Bij nameting bleken de maten alleen helaas net niet te kloppen. Maar ik voelde dat ik "warm" was. Ik maakte een tekening van de Dalle op een transparant, waarbij ik de linker lijn net zo groot maakte als de afstand Peyrolles-Serres. Opeens werd mij duidelijk wat de letters "PS" betekenen, waar mijn potlood zojuist doorheen was gegaan. Niet "Prieuré de Sion", maar "Peyrolles-Serres"!

Het begon voor mij steeds opwindender te worden. Ik legde de transparant van de Dalle, samen met die van de Blanchefort-geometrie, op de kaart en hield de spiegel langs de middellijn van de Dalle. Nu klopten de maten exact. Bovendien was nu goed te zien waarom de hoek van de kleine, binnenste, driehoek geen 30°, maar 35° is. Indien je namelijk het "echte" Peyrolles verbindt met het "virtuele" Peyrolles in de spiegel, dan is de geometrie van de Dalle de Coume-Sourde compleet. Volgens de Latijnse tekst moet vervolgens de "M" de "kleine lijn in het midden snijden". Nu wordt met deze "M" niet de nulmeridiaan van Parijs bedoeld, maar een andere lijn die hier evenwijdig aan loopt. In de middeleeuwen noemde men ook een dergelijke lijn een meridiaan. Indien je de drie lijnstukken van het ongespiegelde gedeelte van de Dalle beschouwt, wordt onmiddellijk duidelijk welke de "kleine lijn" is, namelijk de bovenste. Het midden hiervan is het "midden van de lijn, waar de M de kleine lijn snijdt". Ik tekende dus een meridiaan door dit punt en zag dat deze exact door Punt X ging!

Een mooiere bevestiging van de juistheid van deze plek kon ik mij niet wensen. Bovendien liep deze lijn langs de achterkant van de kerk van Rennes-les-Bains, daar waar het graf van de moeder van Henri Boudet zich bevindt. Op de Dalle zelf wordt deze lijn ook aangegeven. Hij gaat langs de linkerkant van het bovenste lijnstukje, en langs de "P" van "P.S". Bovendien is er nóg een lijn op de afbeelding van de Dalle de Coume Sourde die naar Punt X leidt: de lijn door Serres naar deze plek gaat langs de poten van drie letters: een M, een N en een P.

Nog meer verklaringen en ontdekkingen.

Na de ontmaskering van de ware functie van de Dalle, werden mij meerdere dingen duidelijk. Het woord "PRAE-CUM", sloeg vast op de geometrie van "voor" het spiegelen en "met" het spiegelen. Ook de woorden "SAE" en "SIS" wilde ik proberen te verklaren. Ik had een vermoeden dat het afkortingen waren van bepaalde Latijnse woorden beginnende met een "s": "S…AE" "S…SIS". Hoewel het al 24 jaar geleden was dat ik op school Latijn had gehad, kon ik de verbuigingen van de zelfstandige naamwoorden nog dromen. Daarom wist ik dat het eerste woord moest eindigen op een "a" en het tweede woord op "a", "us" of "um". Ik pakte mijn oude woordenboek en zocht naar woorden beginnend met "s" en eindigend op "a". Het waren er ontzettend veel en vele woorden spraken zeer tot de verbeelding. Tot ik bij "specula" kwam, dat "uitkijk(post)" of "wachttoren" betekent. Dat leek me wel wat. Vijf woorden verder kwam ik "speculum" tegen, dat "(metalen) spiegel of "spiegelbeeld" betekent! Heerlijk, zo’n woordenboek. "SPECULAE SPECULIS", De uitkijkposten met de spiegelbeelden". Of misschien moet deze tekst ook gespiegeld worden: "Met de spiegelbeelden van de uitkijkpost". Het kan zijn dat u mijn theorie speculatief vindt, maar dan verwijs ik u naar de tweede vertaling die mijn woordenboek aan het woord "specula" geeft: "een sprankje hoop".

Hoewel ik al een tijd bezig was met het ontrafelen van de geheimen van de Dalle, drong pas nu de afmeting van de geometrie tot mij door. Ik had de lijnen getrokken langs de buitenkant van de grote driehoek. Maar pas nu besefte ik dat de linker zijde exact, maar dan ook exact even groot was als de afstand Peyrolles-Serres op mijn kaart van het I.G.N.! De maker van deze tekening moet een kaart met schaal 1:25000 gebruikt hebben. Het kan niet anders. Maar wie is dit geweest? Was het de Prieuré de Sion? Is dit een van de aanwijzingen die moeten leiden naar de oplossing van het Geheim? Het begon steeds spannender te worden. Al zoekende vond ik de methode die tot de constructie van de Dalle-geometrie had geleid. De "spiegellijn" is het verlengde van de lijn vanuit de kerk van Rennes-les-Bains naar Serres. Na deze ontdekking moest ik denken aan een uitspraak die ik tegenkwam van ene Nicolas Beaucéan, gevonden in de Prieuré documenten. "Als de parochies van Peyrolles en Serres de tweelingkinderen zijn van St.Vincentius, bewaakt de parochie van Rennes-les-Bains het hart van Roseline". Een paar dingen zijn duidelijk: de naam Beaucéan is een pseudoniem, aangezien dit de naam is van de vlag van de Tempeliers. Sint Vincentius a Paulo is een heilig verklaarde Fransman die begin 17e eeuw de congregatie van de "Lazaristen" stichtte, welke zich bezig hield met de zorg voor de armen. De "tweelingkinderen" zijn duidelijk de "parochies" en hun spiegelbeelden. Maar wat is nu "Roseline"? Is dit de Roze Lijn, waar Plantard het over had? Behalve de nulmeridiaan van Parijs, die 1380 meter ten oosten van Rennes-les-Bains loopt, had ik nu een meridiaan door het midden van Peyrolles-Serres (en door Rennes-les-Bains), en een meridiaan door het midden van de "Linea Parva" (en door Punt X). Bovendien had ik ook nog een variant: de lijn door het midden van Peyrolles-Serres én door Punt X. Was dit de echte Roze Lijn? Het antwoord zou niet lang op zich laten wachten.

Het graf van Marie de Negri.

Omdat ik nu wist hoe het met de Dalle zat, was ik benieuwd hoe deze geheime informatie op de liggende grafsteen van Marie de Negri was weergegeven. Vast stond dat de verticale lijn de meridiaan voorstelt. Hij wijst naar het midden van het streepje tussen de letters "P" en "S", oftewel naar het midden van Peyrolles-Serres. De verticale lijn volgt ook het streepje tussen de ogen van de spin onderaan. De stip tussen zijn voorpoten ligt er vlak naast, zoals op de kaart ook de Geheime Plaats vlak naast deze meridiaan ligt. Verder staat er "PRAE-CUM", zodat ik weer aan spiegelen moest denken. De lijn die de twee Tempelierskruisen met elkaar verbindt snijdt het midden van de verticale lijn, zoals gezegd, onder een hoek van 60°. De accenten van "RéGIS" en "CèLLIS" geven volgens mij de richting aan van de lijn vanuit Arques en zijn spiegelbeeld. Maar toen ik het rechter lijnstuk spiegelde, kwam ik op de kaart helaas niet bij Blanchefort uit. Want daar was een hoek van 50° voor nodig. Ik ging dus op zoek naar een lijn die de verticale pijl op de grafsteen onder een hoek van 50° snijdt. Deze bleek ook door het midden te lopen, maar dan naar een ander kruis: de "X" van het woord "APX". Dat deze lijn opzettelijk zo was gekozen, bleek uit het snijpunt hiervan met de rechter zijkant van de grafsteen. Want ook hier doorheen gaat een horizontale lijn die langs de bovenkant gaat van de letters "E" en "A". Het spiegelbeeld van het linker lijnstuk gaat uiteraard naar dezelfde horizontale lijn, maar dan aan de línker zijkant. Zo vormen beide lijnen samen het geheel: de 60°-lijn gaat naar Arques, en de 50° gaat naar Blanchefort. De aanwijzing is duidelijk. Volgens Saunière blijkbaar té duidelijk!

De hoeken van de Blanchefort-geometrie.

Nu ik de inscripties van de Dalle de Coume-Sourde en de grafsteen van Marie de Negri had verklaard, ging ik mij verder verdiepen in de Blanchefort-geometrie zelf. Hoe zat deze in elkaar en hoe zat het met de "Roze Lijn"? Ik ging er van uit dat dit de lijn was die door het Punt X ging en door het midden van Peyrolles-Serres. Zo op het oog liep deze niet helemaal evenwijdig met de meridiaan. Ik besloot om de hoek met de parallel te gaan berekenen en, nu ik toch bezig was, ook de hoeken van de andere lijnen. In de Bijlage van de CD-rom staan voor de liefhebbers de berekeningen die nodig zijn om alle hoeken en afstanden te weten te komen. De belangrijkste hoeken zijn de volgende: Peyrolles – Arques: 80°, Peyrolles – Blanchefort: 80°, Peyrolles – Serres: 70°, Peyrolles – Punt X: 85°, Peyrolles – midden BA: 40°, Blanchefort – Punt X: 40°, Midden PS – Punt X: 89,5°. Zoals u ziet zijn het, afgezien van de laatste, mooie hoeken. Het eerste wat me hierbij opviel, was dat de constructielijn vanuit Peyrolles door Punt X de parallel snijdt onder een hoek van 85°. Nu moet ik bekennen dat ik ook al eens de hoeken van een paar staffen had opgemeten van de herders van "Les Bergers d’Arcadie". Daarom herkende ik de hoek van 85°, want dit is ook de hoek waaronder de staf van de rechter herder staat! Het enige verschil is dat de staf de andere kant op staat. Met andere woorden: ze zijn elkaars spiegelbeeld ! Zou dit toeval zijn? Dat zou natuurlijk kunnen. Maar ik was al meer toevalligheden tegengekomen, die later geen toeval bleken te zijn. Weer flitste er van alles door mijn hoofd heen. Het zou toch niet waar zijn, dat ook Poussin bekend was met de Blanchefort-geometrie? Of, sterker nog, dat hij dit geometrisch patroon op een of andere manier in zijn schilderij heeft verwerkt? Ik weet het, anderen voor mij hadden ook al eens een patroon in dit schilderij en in de andere schilderijen ontdekt. Maar in feite vond ik hun analyses té complex en té doordacht om waar te kunnen zijn. Bovendien is "mijn" geometrie zeer aantoonbaar, zeker op de kaart met zijn gebouwen als hoekpunten. Het leek mij daarom de moeite waard worden om te bekijken of mijn vermoeden bewaarheid kon worden. De volgende stap was derhalve het opmeten van alle staffen van het schilderij van Nicolas Poussin.

Deel 4 - Hoofdstuk 13: De schilderijen.

Op het schilderij van Poussin staan drie herders afgebeeld. Op zich is het tafereel niets bijzonders. Ze staan in een zogenaamd "arcadisch" ("herderlijk") landschap, zoals Poussin er vele heeft gemaakt. Maar, we weten dat er meer aan de hand is. De röntgenfoto’s hebben aangetoond dat de functie van de staffen belangrijker is dan je zou vermoeden. Uiteraard kon de schilder niet weten dat deze foto’s ooit gemaakt zouden worden. Dat was op zich hiervoor ook niet nodig geweest. Want óp het schilderij heeft Poussin ons al een aantal aanwijzingen gegeven die de aandacht op de staffen moeten vestigen. Zo komt de staf van de linker herder onder de middelste herder weer te voorschijn. Doordat de achtergrond hier veel lichter is geschilderd dan de rest, wordt de staf geaccentueerd en de aandacht getrokken. Maar dat niet alleen. Indien je een liniaal langs deze staf houdt, blijkt dat het bovenste gedeelte naast het onderste uitkomt. Bovendien deelt de rug van de middelste herder de staf (tenminste, links langs de staf gemeten) middendoor. De lengte van dit gedeelte van de staf is gelijk aan de afstand tussen de staffen van de buitenste twee herders. Ook is deze afstand de lengte van het bovenste gedeelte van de staf van de rechter herder (gemeten vanaf de bovenkant van de staf tot de onderkant van zijn arm). Kortom, redenen genoeg om te vermoeden dat Poussin ons wil zeggen dat er "iets geometrisch" in het schilderij te vinden is.

Zoals gezegd is de hoek van de staf van de rechter herder 85°. Het verlengde van de staf (de lijn langs de rechterkant) gaat precies naar het midden van de onderkant van het schilderij. Het opmeten van de staf van de linker herder gaf, door de afwijking onderaan, wat problemen. Ik vond een lijn vanaf de punt rechtsboven, langs de staf en langs de rand van de schaduw, die onder een hoek van 75° staat. De lijn vanaf de punt linksboven en langs de rechterkant van het onderste gedeelte bleek ook onder een hoek van 75° te staan. De staf van de middelste herder gaf minder problemen. De lijn vanaf de punt linksboven gaat langs de staf en langs zijn rechter knie. De hoek met de onderkant van het schilderij is 70°. Nu heeft Poussin nog een paar opmerkelijke details geschilderd, die ook een lijn oplevert. Deze is al besproken door Andrews en Schellenberger. Het is de lijn die door de verticale groeven van de tombe loopt. De lijn raakt de linker wijsvinger van de rechter herder en de rechter duim van de middelste herder. Hoewel de schrijvers verklaarden dat dit de meridiaan voorstelde, viel het me destijds al op dat deze lijn niet helemaal verticaal liep. Toen ik de hoek zelf ging opmeten was deze inderdaad niet 90°, maar 89,5° ! Bovendien snijdt deze lijn de 70°-lijn exact op de onderkant van het schilderij!

Ik had nu dus drie lijnen gevonden, waarvan de hoeken t.o.v. de onderkant van het schilderij overeenkwamen met de hoeken van de Blanchefort-geometrie t.o.v. de parallel. Dit waren een 85°-lijn, een 89,5°-lijn en een 70°-lijn. De hoek van de staf van de linker herder was wel mooi (75°), maar paste niet in mijn rijtje. Misschien zou ik later hier nog een verklaring voor kunnen vinden. Ik wist nu bijna zeker dat Poussin het patroon van de Blanchefort-geometrie had gebruikt voor de opbouw van zijn schilderij. Het zou natuurlijk fantastisch zijn om dit aan te kunnen tonen. Een patroon, aanwijsbaar op de kaart, bestaande uit kerken en kastelen, dat ook aanwezig is in een beroemd schilderij! Hoewel het bekend is dat vele middeleeuwse schilderijen zijn gebaseerd op geometrische patronen, leek het gebruik van de landkaart me toch wel iets zeer bijzonders. Maar ik had één probleem: hoe toon je dat aan? Want ik moest niet alleen aantonen dat Poussin een gelijkzijdige driehoek had gebruikt, maar ook de combinatie met de 30°-60°-90° driehoek en eventueel de 45°-45°-90° driehoek. Bovendien zou het meest sluitende bewijs geleverd kunnen worden, indien ik ook de constructielijnen zou kunnen aantonen in combinatie met de nulmeridiaan.

U begrijpt dat ik mijzelf in een lastig parket had gebracht. Ik ging er van uit dat Peyrolles op het midden van de onderkant van het schilderij moest liggen. Want dit leek mij het meest logische begin. Maar dan? Onder welke hoek stond de geometrie op het schilderij en welke schaal was gebruikt? De zoektocht die volgde duurde echt maandenlang. Pakken transparantpapier heeft het gekost en dagenlang achtereen was ik aan het meten en uitproberen. Maar de moeite en het geduld (ook dat van anderen) werd beloond. Uiteindelijk kwam ik er achter hoe je de Blanchefort-geometrie moet houden: de meridiaan staat (achteraf gezien "gewoon") loodrecht op de onderkant van het schilderij, terwijl Arques hierbij op de zijkant links komt te liggen. Indien je de constructie nu afmaakt en je tekent vervolgens de lijn vanuit Arques naar de Geheime Plaats (de "60°"-lijn), dan snijdt deze lijn de zijkant van het schilderij rechts. Op deze plaats komt nogmaals Arques te liggen, waarna je de geometrie voor de tweede keer moet construeren. Peyrolles ligt bij dit tweede patroon op het midden van het schilderij aan de bóvenkant. In feite is dit het patroon, zoals het ook op de landkaart te zien is. Het resultaat is een prachtige dubbele constructie, uiteraard alleen passend op de originele "verhoogde" versie. Was dit alles door mij verzonnen? Neen. Helaas moet ik toegeven dat ik zoiets moois nooit zelf zo had kunnen bedenken. Het was door mijn zoektocht ontstaan, maar het was zeker geen vinding van mij. Degene die had uitgevonden dat je het patroon op een dergelijke manier kunt tekenen, leefde drieëneenhalve eeuw eerder: Nicolas Poussin.

Wat mijn ontdekking bevestigde, was dat de verhouding tussen de hoogte en de breedte van het patroon én van de "originele" versie van het schilderij exact hetzelfde waren!!! Namelijk drie staat tot vier. Volgens de opgave van het R.M.N. is de afmeting van het schilderij 121 x 85 centimeter. Bij de genoemde verhouding moet het schilderij dus 121 x 90,75 centimeter groot zijn. In de Bijlage kunt u, als bewijs van dit verhaal, de berekening zien van de afmetingen van het patroon waarop Poussin zijn schilderij heeft gebaseerd. Volgens deze berekening is de hoogte van het patroon 90,9414 centimeter. Een (onzichtbare) afwijking van nog geen 2 millimeter! In de geïllustreerde versie van mijn verhaal kunt u de methode zien waarop de staffen zijn geconstrueerd. De samenwerking van het patroon met zijn spiegelbeelden worden dan ook duidelijk. De "echte" Geheime Plaats valt op de 85°-lijn langs de staf van de rechter herder, ter hoogte van de middelste van zijn drie (?!) vingers. Wordt het schilderij gespiegeld, dan wijst de "virtuele" rechter herder naar deze zelfde 85°-lijn. (De genoemde hoogte van het schilderij van  85 centimeter berust volgens mij op toeval, en lijkt mij geen verwijzing naar de 85°-lijn.) Dit alles maakt zeker wel duidelijk dat Poussin bekend was met het Geheim van Blanchefort. Wat het Geheim ook geweest moge zijn, hij vond het belangrijk genoeg om het op deze wijze voor het nageslacht te bewaren.

"Sint Antonius en Sint Paulus".

"Poussin en Teniers hebben de sleutel" lazen we in het document. Dus waarschijnlijk zou het schilderij van David Teniers de Jonge ook wel de Blanchefort-geometrie bevatten en is dit de overeenkomst die beide schilderijen hebben. Ik ging weer op zoek. Op het eerste gezicht leek het schilderij me eenvoudiger dan de Poussin, maar niets was minder waar. Een groot struikelblok vormde vooral de staf van Antonius, die een beetje krom van vorm is. De doorbraak die uiteindelijk kwam, werd veroorzaakt door twee schaduwen! Ik ontdekte namelijk dat de kopiist van Shugborough Hall op twee plaatsen een schaduwpartij van Teniers had veranderd. Ten eerste de schaduw van de genoemde staf. Deze loopt bij Teniers schuin omhoog en op de kopie horizontaal. En ten tweede de schaduw van de wig op het kruisbeeld. Deze is bij de kopie weggelaten. Dit waren niet zomaar een paar veranderingen, maar essentiële aanwijzingen voor wie kennis heeft van het Geheim. Een prachtig staaltje van esoterie. Door deze ontdekking kon ik de meridiaan (of de parallel) construeren. Deze loopt langs de schaduw van de staf en langs de bovenste rand van het rotsblok naast de boeken. De lijn door de uiteinden van deze staf gaat langs de schaduw van de wig naar de bovenkant van het schilderij. Dat dit correct is wordt bewezen door het feit dat dit punt de zijkant markeert van de Engelse kopie!! De twee staffen kruisen elkaar, dank zij deze lijn, onder een hoek van 60°. Een vierde basislijn vond ik door een lijn te tekenen die langs de zijkant van het kruisbeeld en langs de zijkant van het eerder genoemde rotsblok gaat. Het snijpunt (A), onder het schilderij, met de staf van Paulus bleek Arques te zijn, waarbij de staf van Antonius de lijn Blanchefort-Serres voorstelt. De aldus afgemaakte Blanchefort-geometrie gaf echter een Geheime Plaats in de lucht schuin boven het huis op de berg.

Ik ging daarom op zoek naar een tweede constructie. Ik verlengde de lijn langs de staf van Paulus naar boven en ontdekte dat de afstand vanaf de bovenkant van het schilderij tot het snijpunt van de staffen, even groot was als Peyrolles-Blanchefort in mijn eerste constructie. Hierdoor gemotiveerd maakte ik de Blanchefort-geometrie af. Tot mijn verbazing viel de Geheime Plaats nu precies op de onderkant van het schilderij, waar ook de lijn langs de staf van Antonius uitkomt! Dit kon onmogelijk toeval zijn. De twee constructies samen geven een prachtig "grondplan", dat Teniers gebruikt heeft als basis voor zijn schilderij. Dit alleen al is een schilderij op zich.

Veel details zijn door Teniers gebruikt om bepaalde lijnen weer te geven. Zo gaat de 85°-lijn van de tweede constructie bijvoorbeeld door de barst van het bakje. Ook de rotswand heeft geen willekeurige vorm. Gebruik makend van het kruisbeeld, de vogeltjes, de vingers van Paulus, etc., kunnen nog meer patronen worden gevonden waarvan sommige lijnen de vorm van de rots bepalen. Dit alles maakt de conclusie van mijn analyse van dit schilderij duidelijk. Ook David Teniers was op de hoogte van het bestaan van de Blanchefort-geometrie.

"De Kroning van Celestinus V".

Het derde schilderij dat Saunière uit Parijs meenam, en waar ik ook de Blanchefort-geometrie in vermoedde, zag er wat complexer uit dan de vorige twee. Waren er bij Poussin drie staffen, en bij Teniers twee, op het schilderij van Celestinus staan er vijf. Ook zijn er meer opvallende details, zoals de scheve kruisen en pilaren. Het meest opvallend is natuurlijk de rechter poot van de troon (ik ga bij mijn beschouwing uit van de kijker), die een stuk hoger is geschilderd dan de linker. Ik startte mijn analyse met de horizontale lijn langs de opstaande rand, die ook langs de voegen van de vloertegels loopt. Dit zou de meridiaan of de parallel kunnen zijn. De volgende stap was het tekenen van de lijnen langs de staffen van de twee personen die de kroon van Celestinus vast houden. De hoeken waren niet zo mooi, de linker ± 78° en de rechter ± 82,5°. Onderling sneden de staffen elkaar onder een hoek van ± 19°. Dit alles deed mij weer denken aan de hoeken vanuit Arques. Het snijpunt, dat ik derhalve weer "A" noemde, bleek even ver van de onderkant van het schilderij verwijderd als de hoogte ervan. Dit leek mij een bevestiging van de juistheid van het punt.

Toen ik de transparant met de Blanchefort-geometrie op het schilderij legde, bleek dat de hoek tussen de twee staffen even groot was als de hoek Peyrolles-Arques-Serres. Alleen wist ik natuurlijk niet welke plaats op welke staf lag. Na tijden lang alle mogelijkheden uitgeprobeerd te hebben, bleek dat de "verhoogde poot" van de troon de oplossing in zich had. De lijn door het midden van de rosetten was de "Roze Lijn"!  Omdat deze door het midden van Peyrolles-Serres gaat, was het na deze vondst mogelijk om het patroon te construeren. De Geheime Plaats valt daarbij op de linker zijkant van het schilderij. Ook andere lijnen bevestigen de juistheid van de constructie, zoals de lijn Peyrolles-Serres die naar de punt van de verhoging loopt. Omdat er nog meer staffen geschilderd zijn, ging ik op zoek naar een tweede constructie. Ik trok twee lijnen langs de staffen links op het schilderij. Ze bleken elkaar onder een mooie hoek van 30° te kruisen, en een hoek te maken van respectievelijk 70° en 80° op mijn horizontale lijn. Het snijpunt van de staffen was volgens mij Peyrolles. De bekende vraag was natuurlijk weer: hoe groot moet de geometrie worden ingetekend?

Na weer eindeloos uitproberen bleek Arques op de rechter zijkant van het schilderij te liggen. Blanchefort ligt op de versierde onderste rand van het schilderij. Door dit punt gaat ook de 60°-lijn (vanuit Arques naar de Geheime Plaats) van de eerste geometrie. Het meest opvallende is dat de lijn Arques-Blanchefort, net als bij de eerste constructie, door de punt van de verhoging gaat, waar de troon op staat. Genoemde punt van de verhoging bleek belangrijk. Door de eerste geometrie zó om dit punt te draaien dat zijn meridiaan horizontaal liep, kwamen beide patronen mooi over elkaar te liggen. De lijn Peyrolles-Serres van de eerste constructie viel nu samen met de lijn Arques-Blanchefort van de tweede constructie.

Nadat ik het transparant met de tweede constructie ook nog eens zodanig had verschoven totdat Blanchefort op de onderkant van het schilderij lag, onstond een patroon dat de samenhang van beide constructies duidelijk maakte. Het werd een wonderschone dubbele Blanchefort-geometrie, wederom ontstaan op mijn tekentafel, maar uitgevonden door de maker van het schilderij. Wie dat ook geweest moge zijn. 

Deel 4 - Hoofdstuk 14: De documenten.

Het vinden van de Blanchefort-geometrie in de schilderijen was voor mij het resultaat geweest van een zeer lange "puzzeltocht". Maar het ontdekken hiervan in de documenten zou een plotselinge, sensationele ervaring worden. Ik zal u vertellen waarom.

Natuurlijk ging ik er al van uit dat de geometrie zo wie zo in de documenten aanwezig zou zijn. Maar de vraag was uiteraard ook in dit geval: op welke manier? Om alvast een start te hebben, begon ik waar anderen gebleven waren. Maar al gauw belandde ik op een dood spoor en kwam niet verder. Daarom besloot ik om eerst uit te vinden op welke wijze de twee documenten op het oorspronkelijke perkament hadden gestaan. Bekend was immers dat aan elke kant van het perkament er één document geschreven was, en dat de teksten op de een of andere manier samen moesten werken, wellicht door het perkament tegen het licht te houden. Maar hoe? Stonden ze allebei gewoon, of was er één ondersteboven? Ik moet zeggen, dat dit nog niet mee viel. Want ook hier zijn vele varianten mogelijk. Maar uiteindelijk is het me toch gelukt, met een verassende uitkomst als bevestiging. In de Bijlage staan alle stappen die ik nam om het samenspel te ontdekken. In het kort komt het neer op het volgende. Gebruik makend van het "driehoekje" boven aan het kleine document, en van de "A" (bij "SION") van het grote document, tekende ik een aantal lijnen. Belangrijk was hierbij dat het grote document ondersteboven stond.

Om de samenwerking te kunnen zien moest het kleine document uiteraard omgedraaid worden. Twee van de lijnen, die ik had getekend, bleken onder dezelfde hoek te staan. Dit zou er op kunnen wijzen dat ik het verband had gevonden. Alleen vielen de teksten in dit geval niet over elkaar heen. Omdat het mij logisch leek dat de teksten wél elkaar zouden overlappen, ging ik het lijnenspel van het kleine document draaien, met de top van de "A" als vast punt. Ik draaide door totdat twee lijnen perfect horizontaal over het grote document liepen. Omdat de andere lijnen nu ook "mooi" liepen, ging ik er van uit dat ik de juiste stand had gevonden. Bovendien lagen de teksten nu wel over elkaar heen. Dat ik gelijk had, zou later blijken. Maar eerst moest ik de Blanchefort-geometrie intekenen. De horizontale lijn en de lijn tussen de twee tekens -boven en onder de tekst van het grote document- waren ongetwijfeld de meridiaan en de parallel. Hiervan uitgaande vond ik na enige tijd (dagen) dat Peyrolles in het kleine document op het onderste puntje van het "driehoekje" lag. Gebruik makend van de kruisjes kon ik het patroon construeren. Omdat er veel letters op het document staan, kun je je natuurlijk afvragen of het toeval is dat sommige ervan de richting van een lijn accentueren, of dat zij bewust zo zijn neergezet. Ik laat de beoordeling graag aan u over. Maar is het toeval dat de 85°-lijn vanuit Peyrolles door het kruisje van regel 7 gaat? En dat de lijn Blanchefort-Serres recht naar de apart staande "a" van regel 2 gaat? En wat dacht u van de "x" van regel 8, en van de letters "N" van regel 14? En van…... Allemaal toeval?

Ik moest tot slot nog één stap doen. En dat was het neerleggen van het eerste document, met daarop de Blanchefort-geometrie, op het tweede document. Door de gemeenschappelijke lijnen was dat zo gebeurd. De geometrie kwam mooi op de tekst te liggen. Maar de grootste verassing kwam -en dat was best schrikken- toen ik de hoekpunten wat nauwkeuriger ging bekijken. Op de plek van Arques stond op het grote document de letter "a" en op de plek van Peyrolles stond de letter "p"!!!! En dat niet alleen: de stip op de transparant, waarmee ik Arques had aangegeven, vulde de buik van de "a", en de stip van Peyrolles kwam op de opening van de "p" te liggen. Was dit nog steeds allemaal toeval?

Wie was de maker?

De bevestigingen van een aantal tekens en letters in dit document die de juistheid van mijn constructie aangaven, vielen in het niet bij bovenstaand bewijs. De maker van deze documenten had daadwerkelijk de Blanchefort-geometrie gebruikt voor de opbouw van zijn tekst. Maar wie was die maker? Volgens het Verhaal was het Antoine Bigou. En volgens Plantard was het Philippe de Chérisey, die kopieën had gemaakt en de schaal had veranderd. Wat was hier van waar? Een aantal zaken gaven aan dat de documenten, zoals ze ons bekend zijn, niet uit de tijd van Bigou kunnen zijn. Bij de ontcijfering van de gecodeerde tekst van het tweede document werd gebruik gemaakt van een alfabet van 26 letters. In het begin van deze eeuw waren er echter nog maar 25. En stel dat Andrews en Schellenberger gelijk hadden met hun interpretatie van de tekst, namelijk dat deze sloeg op de spoorbaan bij Alet-les-Bains: in de tijd van Bigou bestond deze nog helemaal niet.

Maar het beste bewijs kwam door een ontdekking, die ik aanvankelijk over het hoofd had gezien. Ik had de documenten gekopieerd uit een van de boeken en ze anderhalf keer zo groot gemaakt, zodat er een normaal gevulde A4 ontstond. Maar pas later drong het tot mij door dat de transparant met de Blanchefort-geometrie van de kaart van het I.G.N. exact even groot was als die van de documenten!! Had ik per ongeluk de documenten op ware grootte gekopieerd? Of viel dit weer onder de noemer "toeval"? Zo niet, dan had de maker een schaal van 1:25000 gebruikt. Navraag bij het I.G.N. leerde mij dat deze schaal in de tweede wereldoorlog door de geallieerden werd geïntroduceerd. Pas eind jaren '50 werd deze schaal ook voor civiele kaarten gebruikt, in plaats van 1:20000. Dus kan de verklaring van Plantard, dat de schaal was gewijzigd, juist zijn! Duidelijk is dat de Blanchefort-geometrie zeer oud is. De schilderijen en vooral de gebouwen bewijzen dat. Mijns inziens moet dit beschouwd worden als een antieke vorm van het bewaren van het Geheim. Het boekje van Gérard de Sède met het Verhaal van Saunière is derhalve een moderne versie van het bewaren én doorgeven hiervan. Is dit het werk van de Prieuré de Sion? En wie zijn of waren er nog meer op de hoogte van het Geheim en het bestaan van de Geheime Plaats? Zijn er misschien nog meer aanwijzingen te vinden, in het heden of in het verleden? Ik ging weer op zoek naar antwoorden.


Deel 5: Terug naar de oorsprong.

In deel 4 heb ik de ontdekking onthuld van een "Geheime Plaats". Dit Geheim is op een verborgen wijze eeuwenlang doorgegeven en ik heb ontdekt dat hiervoor een geometrisch patroon is gebruikt. Dit patroon, door mij de "Blanchefort-geometrie" genoemd, is terug te vinden op de landkaart en in de schilderijen en documenten die een rol spelen in "Het Mysterie van Rennes-le-Château". Bovendien is het patroon op unieke wijze verborgen in een boekje uit de jaren '60: de tekening van de "Dalle de Coume Sourde"  in "Le Trésor Maudit". In deel 5 volg ik het spoor van het Geheim nog verder. U zult getuige kunnen zijn van nieuwe ontdekkingen.

Deel 5 - Hoofdstuk 15: Meer schilderijen.

Het geslacht Blanchefort bezat een Geheim. En dit Geheim bleef generaties lang binnen de familie. Na het overlijden van de laatste telg die in Rennes-le-Château woonde (Marie de Negri) ging de overlevering (ook?) door via mensen buiten de familie. Zoals u heeft kunnen lezen gebeurde dit via een aantal pastoors, totdat het Geheim uiteindelijk bij Saunière terechtkwam. Tot zover was het spoor goed te volgen. Maar wat was er vóór die tijd? Was het een Geheim dat alleen de familie zelf betrof? Of ging het ook om anderen, en hadden zij het Geheim op hun beurt ook weer van anderen vernomen? Gezien de algehele belangstelling, zou je zeggen dat dit laatste inderdaad het geval was en dat het een Geheim betreft dat ons allemaal aangaat. Maar van wie hebben de Blancheforts de informatie dan? En hoe lang bestond in dat geval het Geheim eigenlijk al? Vragen genoeg, die mij duidelijk maakten dat ik met het ontdekken van de Blanchefort-geometrie in de schilderijen en in de documenten er nog lang niet was. Want misschien waren er wel meer schilderijen gemaakt op basis van ditzelfde patroon, en kon ik via deze schilderijen het spoor van het Geheim volgen, buiten de familie Blanchefort om. Wie weet, waren er wel meer schilders "ingewijd". Mijn volgende opdracht was derhalve om te zoeken naar andere schilderijen dan de in het Verhaal genoemde drie.

"Les Bergers d’Arcadie".

Omstreeks 1630, tien jaar voor de beroemde versie van het schilderij met deze titel, maakte Poussin een eerste versie. Omdat het me logisch leek dat hij ook in dit schilderij de geometrie had verwerkt, besloot ik om hier mee te beginnen. Het eerste dat opviel was de staf van de herder met de baard. Het onderste gedeelte komt bij zijn rechter been weer te voorschijn. Net als bij de latere versie staat dit stuk niet in één lijn met het bovenste gedeelte. Ook hier heeft Poussin ons weer een aanwijzing gegeven om goed op de staffen te letten, omdat er "iets" mee aan de hand is. Ik gebruikte uiteraard de transparant met de Blanchefort-geometrie om het patroon in het schilderij te ontdekken. Onmiddellijk viel het basisgegeven op: de lijnen langs de twee staffen vallen samen met de 85°-lijn en de lijn Blanchefort-Serres. Dit wetende was het makkelijk om de "stand" van het patroon vast te stellen. Meteen viel me de simpele, maar wel doeltreffende manier op, waarop Poussin de meridiaan en de parallel weergegeven heeft. De lijn langs de linkerkant van de boom, en de lijn langs de onderkant van de armen van de figuur rechtsonder lopen hier prachtig evenwijdig aan! Het bepalen van de grootte was wat lastiger. Uiteindelijk bleken een paar punten doorslaggevend. Het snijpunt van het onderste gedeelte van de rechter staf met het been van de herder en het snijpunt van de bovenkant van de graftombe met de zijkant van het schilderij. Mijn ontdekking van de raaklijnen vanuit deze punten met het gebogen gedeelte van de staf, gaf mij de mogelijkheid om het patroon te construeren.

René d'Anjou.

Iemand die zijdelings betrokken is bij het Verhaal, omdat hij van 1418 tot 1480 Grootmeester was van de Pieuré de Sion, is de "Goede Koning" René d’Anjou. Hij was in 1408 geboren en was een van de belangrijkste politieke figuren van zijn tijd. Enkele van zijn titels waren graaf van Bar, graaf van Guise, hertog van Anjou, hertog van Lotharingen, koning van Aragon, koning van Napels en koning van Jeruzalem. Een van zijn politieke daden was zijn steun aan Jeanne d’Arc in haar strijd tegen de Engelsen. Van René is bekend dat hij zeer geïnteresseerd was in de legenden van de Graal. In 1457 schreef hij het boek "Le Cuer d’amours espris", dat hierop is gebaseerd. Een van de illustraties hierbij is "La Fontaine de fortune", een miniatuur dat gemaakt is door Barthelémy van Eijck. Op het miniatuur is de ridder Cuer afgebeeld, die voor een monument met de magische bron staat. Omdat ik de afbeelding al een aantal keren was tegengekomen, was ik benieuwd of de Blanchefort-geometrie ook hierin verborgen zou zitten. Dat dit waarschijnlijk het geval is bleek al meteen toen ik de witte randen uittekende die de afbeelding omlijsten. De linker staat onder een hoek van 90°, en de rechter onder een hoek van 89,5°! Zoekende naar bekende lijnen, vond ik er twee die elkaar onder een hoek van 30° kruisen. Het is de lijn langs het onderste gedeelte van de lans (en door de top van de vleugel), en de lijn langs de schaduw van de lans (en door een uitstekende boomtop). Er van uit gaande dat het snijpunt Arques voorstelt, en Peyrolles ergens op de lijn van de schaduw ligt, kon ik de meridiaan en de parallel vaststellen. De eerste wordt aangegeven door de rand van het monument, de tweede door Cuer zelf. De lijn naar Blanchefort gaat door de top van de andere vleugel. Peyrolles kon ik vaststellen omdat de lijn naar Blanchefort naar de linker bovenhoek van het miniatuur gaat, en bovendien de raaklijn van de zon is. De aldus geconstrueerde geometrie laat meerdere details "meewerken".

Verder zoekend, constateerde ik dat Barthelémy van Eijck (of René d'Anjou) de afbeelding van de zon had gebruikt om meerdere patronen aan te geven. Van elk patroon gaat er één lijn naar één van de hoeken, zo de afmeting van het miniatuur bepalend. Ook andere raaklijnen van de zon bleken een patroon op te leveren. Hierdoor wordt duidelijk waarom ridder Cuer door de schilder in zo’n vreemde houding is neergezet. Zijn oog en vingertoppen bepalen niet alleen de richting van de meridiaan of de parallel, maar ook de lijnen van een Blanchefort-geometrie, die overigens exact even groot is als mijn eerst gevonden patroon. De punt van de laars van de slapende persoon (Désir) bepaalt de richting van een van de lijnen. Allemaal toeval? Het zou kunnen, maar dan zijn wel heel erg veel details toeval. Als vijfde patroon vond ik een wat grotere versie. Ditmaal geen raaklijn met de zon, maar met het hoofd van Cuer. (De lijn Arques-Peyrolles passeert de zon overigens wel op een afstand, die gelijk is aan zijn straal.) De Geheime Plaats valt op de zijkant van het monument. De "Roze Lijn" is precies de lijn langs deze zijkant! Al met al leek mij dat ik voldoende had aangetoond dat René d’Anjou en natuurlijk ook Barthelémy van Eijck op de hoogte waren van de Blanchefort-geometrie.

Jan van Eijck.

Een andere Van Eijck was de Vlaamse schilder Jan van Eijck. Deze leefde van (±) 1390 tot 1441 en behoorde tot de groep schilders die de "Vlaamse Primitieven" worden genoemd. Bepaalde gebeurtenissen uit zijn leven gaven mij aanleiding om zijn werk nader te bekijken, omdat er misschien aanknopingspunten waren met het Verhaal. Omstreeks 1423 was hij in Den Haag werkzaam aan het hof van graaf Jan van Beieren. Door het uitbreken van de "Hoekse en Kabeljauwse Twisten" vluchtte hij in 1425 naar Brugge, waar hij in dienst trad van Filips III de Goede. Later dat jaar verhuisde hij naar Lille. In 1426 werd hij door Filips op een geheime missie gestuurd, waarvan de bestemming en het doel altijd een mysterie zijn gebleven. De jaren daarop werkte hij samen met zijn broer Hubert aan het retabel "De Aanbidding van het Lam", dat in 1430 werd voltooid. In maart 1435 wenste Filips hem te spreken over "zekere grote werken". Wat dat inhield, is ook nooit duidelijk geworden. Een jaar later schilderde hij "De Madonna met Kanunnik Van der Paele". Begin 1437 had hij een ontmoeting met René d’Anjou (!), die van november 1436 tot 11 februari 1437 in Lille door Filips gevangen werd gehouden. Vooral dit laatste gegeven was voor mij een reden te meer om een paar schilderijen van Jan van Eijck onder de loep te nemen.

"De Aanbidding van het Lam".

Zijn beroemdste schilderstuk heeft Jan van Eijck samen met zijn broer Hubert gemaakt, en is te bezichtigen in de St.Baafskerk in Gent. Het werkstuk bestaat uit 12 panelen, speciaal vervaardigd om uitgestald te worden in de "Vijdkapel" van de kerk. Het was gemaakt in opdracht van Joos (Judocus) Vijd, op wiens kosten de kapel destijds gerestaureerd werd. Vijd was een van de rijkste mensen van de stad, behoorde tot het stadsbestuur en is ook nog een periode burgemeester geweest. Hij is, evenals zijn vrouw, op een paneel vereeuwigd, hetgeen te zien is indien het retabel is dichtgeklapt. Aanvankelijk was dit de normale stand, want alleen op zon en feestdagen mocht het retabel open en kon het in volle glorie gezien worden. Boven aan de zijkanten zien we Adam en Eva. In het midden is God afgebeeld, waarbij de deskundigen het er niet over eens zijn of het nu de Vader of de Zoon is. De personen daarnaast zijn in ieder geval Maria en Johannes de Doper. Onder zien we van links naar rechts "De Rechtvaardige Rechters", "De Ridders van Christus", "Het Lam Gods", "De Kluizenaars", en "De Pelgrims".

Al direct na de inhuldiging van de kapel in 1432, was het schilderij een bezienswaardigheid. Niet alleen de enorme omvang -op de voorkant is ongeveer 25 m² beschilderd-, maar ook de pracht die het uitstraalde, en de enorm gedetailleerde werkwijze van de gebroeders Van Eijck deed opzien baren. Ruim drieëneenhalve eeuw lang heeft het retabel in de kapel gestaan. De enorme belangstelling zorgde er echter voor dat het schilderij niet met rust werd gelaten. In 1794, tijdens de Franse overheersing, werden de vier centrale panelen naar Parijs overgebracht. Na de slag bij Waterloo, in 1815, keerden ze weer terug naar Gent. Een jaar later werden zes zijpanelen aan de kunsthandel verkocht, waarna ze via omzwervingen in Berlijn belandden, in de collectie van Frederik Willem III. In 1894 werden de panelen in de dikte doorgezaagd om ze beter voor het publiek te kunnen laten zien. Na de eerste wereldoorlog werden de Duitsers gedwongen om de panelen weer terug te geven, en was het retabel weer compleet. Tot 1934. Want in de nacht van 10 op 11 april werd het paneel "De Rechtvaardige Rechters", met op de (losse) achterkant "Johannes de Doper", gestolen. Via geheime advertenties in de kranten was er contact met de dader(s), en werd "Johannes de Doper" teruggevonden in het bagagedepot van het station in Brussel. Alle stukken die zouden kunnen leiden tot de oplossing van de diefstal en de arrestatie van de dader(s) werden echter op hoog ambtelijk niveau achtergehouden. De reden is uiteraard onbekend, maar het gevolg hiervan is dat het paneel met "De Rechtvaardige Rechters" tot op heden nog niet boven water is gekomen. Maar het wordt nóg geheimzinniger. In mei 1940 vielen de Duitsers België binnen. Besloten werd om het schilderij naar het Vaticaan over te brengen. Maar toen Italië zich ook in de strijd mengde, brachten de Belgen, die al onderweg waren, het retabel naar Pau. Daar werd het opgeborgen in het kasteel van Hendrik IV. In 1942 namen de Duitsers het echter mee -zelfs Hitler zou zich ermee bemoeid hebben- en uiteindelijk belandde het in een zoutmijn in Alt Aussee, dat als opslagplaats voor geroofde kunstwerken werd gebruikt. Daar werd het in 1945 door een speciale eenheid van de geallieerden gered en weer naar Gent teruggebracht. Van weinig schilderijen zou je kunnen zeggen dat ze zoveel hebben meegemaakt als "Het Lam Gods". Vanwaar die belangstelling? Waarschijnlijk niet alleen omdat het zo bijzonder mooi geschilderd is. Er moet veel meer achter zitten. Zo wordt bijvoorbeeld gezegd dat het retabel informatie zou bevatten betreffende een geheim van de Tempeliers. Dat dit inderdaad zo zou kunnen zijn, wordt door een aantal afbeeldingen bevestigd. Zo zijn op het paneel "De Ridders van Christus" diverse orden vertegenwoordigd. Ook zie je dat het bloed van het Lam door een kelk wordt opgevangen, hetgeen een verwijzing naar de Graal zou kunnen zijn. Bovendien staat op het paneel met de kluizenaars, vooraan met zijn staf, St.Antonius afgebeeld. En op hetzelfde paneel zien we, achteraan met in haar handen de pot met de zalf waarmee zij de voeten van Christus zalfde, Maria Magdalena. Zijn dit geen elementen die we ook in ons Verhaal tegen zijn gekomen?

Redenen genoeg dus, om ook dit schilderij nader te bekijken. Alle deskundigen zijn het er over eens dat van Eijck zijn werkstuk geometrisch heeft opgebouwd. Maar misschien heeft Jan van Eijck (of zijn broer Hubert, want men is het er niet over eens wie wat heeft gedaan) wel de Blanchefort-geometrie voor dit retabel gebruikt. Ik begon met het bekijken van de afmetingen van de onderste rij panelen. Bij alle zijpanelen bleek de diagonaal onder een hoek van 70° te staan (zie Bijlage). Dit is dezelfde hoek als de lijn Peyrolles-Serres t.o.v. de parallel. De diagonaal van het grote, middelste paneel staat onder een hoek van 29,6°. Het centrale paneel is 242,3 x 137,7 centimeter. Bij 30° zou de hoogte 139,9 centimeter zijn (zie Bijlage). Oftewel, indien het schilderij iets hoger was geweest, dan was het net zo groot als een dubbele Blanchefort-geometrie. Om te bekijken of het eventueel de bedoeling van van Eijck geweest zou kunnen zijn om de diagonaal onder een hoek van 30° te laten lopen, ging ik dit op twee manieren controleren. Het viel me namelijk op dat het middelpunt van het altaar links van de centrale as viel. Ook sloten de hoekpunten ervan niet aan bij de diagonalen van het schilderij. Een schilder als Van Eijck, die zo precies te werk ging, had hier vast een bedoeling mee. Ten eerste hanteerde ik een schaalberekening, waarbij ik er van uit ging dat de breedte van het schilderij juist was. Het schilderij bleek door te lopen tot de brede rand van de omlijsting. Ter bevestiging liep een der diagonalen nu wél langs een punt van het altaar. Ten tweede construeerde ik de cirkel rond de "Heilige Geest", boven aan het midden. Het middelpunt van deze cirkel bleek ook op de brede rand te liggen.

Het bewijs was gevonden. Van Eijck had zijn centrale paneel bewust iets lager gemaakt, om het patroon te verbergen. Op het origineel in Gent is duidelijk te zien dat het schilderwerk bovenaan bij de omlijsting eindigt. Dat geeft aan dat Van Eijck het paneel bewust zélf heeft verlaagd, en dat het niet zoals bij Poussin later door iemand anders is gedaan. Tegelijkertijd heeft hij ons op zijn schilderij een paar aanwijzingen gegeven om ons er op te attenderen dat er met zijn werk meer aan de hand is. De volgende stap was het controleren van de staffen. Dank zij mijn transparant met de Blanchefort-geometrie vond ik al snel een staf die onder een hoek van 85° op de onderkant van het schilderij staat. Het is de staf van de voorste paus. De lijn langs deze staf loopt langs de toren van een van de kerken, en gaat naar de blauwe edelsteen op de kroon van God. Nu had ik niet verwacht dat Van Eijck een geometrisch patroon zou hebben gemaakt waarbij meerdere panelen betrokken zijn. Maar het is wel heel toevallig dat drie punten een gelijkzijdige driehoek vormen: de genoemde edelsteen, de punt linksonder van "De Ridders van Christus", en de punt rechtsonder van "De Kluizenaars". Dat de rechter zijde van deze driehoek ongeveer 1,5 centimeter langer is dan de andere twee is natuurlijk niet veel, aangezien iedere zijde bijna 4 meter lang is! Bovendien moest er ook rekening gehouden worden met de breedte van de omlijsting en de montage van het retabel. Maar ik moest verder. Peyrolles ligt dus duidelijk op de genoemde staf. Maar hoe groot is het patroon? Het antwoord kwam wederom dank zij mijn transparant. Peyrolles en Arques liggen beide op de onderkant van het schilderij. De lijn Arques-Blanchefort gaat langs de rand (linksboven) van de fontein. De 60°-lijn vanuit Arques gaat naar de punt van een van de kerktorens én door het middelpunt van het schilderij, oftewel het snijpunt van de diagonalen! Tot slot restte mij nog het vinden van de meridiaan en de parallel. Deze twee lijnen bleken gevormd te worden door het kruis van de staf van de voorste paus, in de groep heiligen linksboven. In zijn andere hand heeft hij de palm der overwinning. Dat gevoel had ik ook. Er waren nu zoveel lijnen die overeen komen met de Blanchefort-geometrie, dat het wel duidelijk was dat ook Van Eijck hiervan op de hoogte was en het in zijn schilderij had verwerkt.

"De Madonna met Kanunnik Van der Paele".

Maar er was nóg een schilderij dat mijn aandacht had getrokken. Het is het pronkstuk van het Groeninge Museum in Brugge, en is in 1436 door Jan van Eijck in opdracht van Joris van der Paele geschilderd. Van der Paele was een van de meest welgestelde inwoners van Brugge. Op het schilderij wordt hij aan Maria voorgesteld door Sint Joris, die achter hem staat. Links staat Sint Donatius afgebeeld, aan wiens kerk Van der Paele het schilderij had geschonken. Toen ik het schilderij voor het eerst zag, vroeg het gewoon om geanalyseerd te worden. De uitdrukking van de gezichten en natuurlijk de staffen gaven die aanleiding. Al gauw vond ik twee lijnen die elkaar onder een hoek van 80° kruisen. Dit waren de lijn langs de staf van St.Joris en de lijn langs de onderkant van beide staffen. Inmiddels vertrouwd geraakt met het analyseren kostte dit schilderij me, relatief gezien, weinig tijd. Peyrolles is het snijpunt van genoemde lijnen, Arques ligt op de linker zijkant van het schilderij en Blanchefort precies op het witte plekje van de elleboogplaat van St.Joris. Ook nu waren er bevestigingen genoeg: De lijn naar de Geheime Plaats gaat rechtsreeks naar het oog van St.Joris, de "85°-lijn" gaat naar het oog van de kanunnik, en het verlengde van de lijn Peyrolles naar het midden van Blanchefort-Arques gaat naar de linker bovenhoek van het schilderij. Alles maakte duidelijk dat Jan van Eijck de Blanchefort-geometrie had gebruikt. Van wie hij deze informatie heeft gekregen, is mij niet bekend. Wel aan wie hij het overgeleverd heeft. Begin 1436 bezocht hij René d’Anjou in de gevangenis. Ik las in een van de boeken dat hij René toen de olieverftechniek bijbracht. Dat zou kunnen, maar volgens mij hebben ze het ook over iets anders gehad…

De Kaart van Jeruzalem.

Het oudste schilderstuk dat ik tegenkwam en wilde analyseren, is een miniatuur in een boek dat bewaard wordt in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het boek bestaat uit diverse miniaturen met Bijbelse afbeeldingen en opent met een schematische plattegrond van het oude Jeruzalem. Onder de stad staan Tempeliers afgebeeld, die de Saracenen achterna zitten. Na het vaststellen van de horizontale en verticale lijn "vond" mijn transparant twee lijnen die overeenkomen met de Blanchefort-geometrie. Een 40°-lijn, die aangegeven wordt door het Tempelierskruis op de bannier, en een 85°-lijn, die loopt van het kruisje van de "Ecclesia St.Marie Sepulcrum" (linksboven) naar het middelpunt van het kruis op het schild van de Tempelier. Dat het kruis van de kerk de richting aangeeft, bevestigt de juistheid. Peyrolles moet dus ergens op de lijn bij de "Mariakerk" liggen. Na vele mogelijkheden uitgeprobeerd te hebben, kwam ik er achter dat de juiste plaats het witte puntje is, onder het kruis. Omdat het miniatuur vol staat met details die de diverse lijnen zou kunnen bevestigen, wijs ik u slechts op een paar zeer opvallende: de lijn Peyrolles-Arques is de raaklijn van de cirkel om Jeruzalem; de "Roze Lijn" volgt de zijkant van de "Templum St.Marie", onder de "Mariakerk", en raakt twee punten van het kruis op het schild; de lijn Peyrolles-Serres gaat langs twee punten van het Tempelierskruis op de bannier. De lijn vanuit Arques naar de Geheime Plaats gaat door het kruis van de "Eccesia Latina". En tot slot valt de Geheime Plaats zelf onder het (overigens lege) Heilige Graf.

Verder zoekend, vond ik een tweede patroon. Ik verlengde de 85°-lijn, zodat Peyrolles op de bovenkant van het miniatuur kwam te liggen. Een aantal lijnen zijn hierdoor dezelfde gebleven, maar van andere zijn een paar details opvallend veranderd: De lijn Blanchefort-Serres bepaalt nu de vorm van het plein voor het paleis van "Jhericho"; en de lijn Peyrolles-Serres gaat nu langs de andere twee punten van het Tempelierskruis op de bannier. Beide patronen hebben een geometrisch verband en passen mooi in elkaar. Tot slot vond ik nog een derde constructie. Deze is de grootste, waarbij het midden van Blanchefort-Arques op de zijkant van het miniatuur valt. De lijn Peyrolles-Blanchefort gaat daardoor naar de punt linksonder van de afbeelding. De lijn vanuit Arques naar de Geheime Plaats (de 60°-lijn) bepaalt de houding van de nek van het paard. Ook nu is er een mooi onderling verband te zien tussen dit patroon en de vorige twee. Vooral dit verband maakte het voor mij duidelijk dat de maker van dit miniatuur ook op de hoogte was van de Blanchefort-geometrie. Maar door wíe is het gemaakt?

Informatiebron.

Het was voor het eerst dat ik de lijn vanuit Cassaignes naar de Geheime Plaats aantrof in een afbeelding. In alle andere schilderijen was alleen de driehoek Blanchefort-Peyrolles-Arques aanwezig, uiteraard wel compleet met constructielijnen en meridiaan. Maar de 40°-lijn had ik tot nu toe nog nooit duidelijk gevonden. Door wie was deze plattegrond gemaakt en hoe kwamen zij aan hun informatie? Volgens opgave van de Koninklijke Bibliotheek zijn de afbeeldingen van het boek omstreeks 1200 gemaakt. De makers waren monniken, die woonden in het klooster St.Bertin, vlak bij de stad St.Omer in Noord-Frankrijk. (Eind 13e eeuw zijn op de achterkant van de miniaturen teksten geschreven, die overigens niets met de afbeeldingen te maken hebben.) Het klooster past in ons Verhaal omdat hier in 754 het sterfbed stond van de laatste koning der Merovingen, Childerick III. Bovendien is het vast geen toeval dat op een afstand van 2430 meter van de kerk van het klooster (gelijk aan de afstand Peyrolles-Blanchefort), een andere kerk is. Het dorp waar deze kerk staat heet… Arques ! Maar van wie hadden deze monniken hun informatie? De informanten moeten bekend zijn geweest met het stratenplan van Jeruzalem én met het patroon van de Blanchefort-geometrie. Het antwoord wijst in de richting van de Tempeliers, die immers zelf ook monniken waren, door de kruistochten Jeruzalem kenden, en in Betrand de Blanchefort een Grootmeester hadden. Is het Geheim van Blanchefort dan ook een Geheim van de Tempeliers? Ik moest op zoek naar een antwoord. En dat moest eigenlijk komen van een nóg oudere afbeelding dan deze plattegrond van Jeruzalem. Maar omdat ik niet verwachtte iets dergelijks te kunnen vinden, moest ik wachten tot ik de gelegenheid had om in het gebied zelf onderzoek te kunnen doen. Het wachten was derhalve op de zomervakantie.

Deel 5 - Hoofdstuk 16: Onderzoek ter plekke.

Eindelijk was het dan zover. Begin augustus 1999 ging ik, samen met een aantal anderen, naar de Aude. We logeerden op een landgoed in de buurt van Limoux, temidden van de wijnvelden, waarvan de mousserende witte wijn "Blanquette de Limoux" de bekendste is. Hoewel ik het gebied al een paar keer had bezocht, was het steeds maar voor één dag geweest. Nu had ik voor ‘t eerst eens een aantal weken de tijd om Rennes-le-Château en omgeving goed te leren kennen. Ik wist niet dat het zo mooi was daar. Iedere tocht naar een van de bezienswaardigheden -te voet of per auto- was een belevenis op zich. Vooral Rennes-les-Bains werd het startpunt voor een aantal onbeschrijflijk mooie wandeltochten. Zoals bijvoorbeeld de (best wel pittige) tocht via het smalle pad naar Château Blanchefort, met onderweg mooie uitzichtpunten over het dal van de Sals. Uiteraard had je ook goed zicht op de berg Cardou en op het veld waar de Geheime Plaats moest zijn. Dat het kasteel zelf niet veel meer bleek te zijn dan een paar gemetselde stenen, mocht de pret niet drukken. De grote "witte" rots waar het pad eindigt, is te gevaarlijk om te beklimmen, maar na een omtrekkende beweging kun je vanaf de noordkant de ruïne bereiken en heb je een mooi uitzicht over de Blanchefort-geometrie. Ook de tocht langs de "Fauteuil du Diable" en de "Roc Tremblant" was prachtig, en werd gekenmerkt door vele afwisselingen. Ieder kwartier was er wel iets bijzonders te zien, waar een verhaal bij te vertellen was. En wat te denken van de "Fontaine des Amours", een van de meest idyllische plekjes van de omgeving. Je waant je echt in een sprookje als je daar bent. Ik moest, zittende bij het water, denken aan een verhaal van Henri Lincoln, die daar begin jaren zeventig ook was geweest. Hij vertelde dat hij op een van de rotsen een merkwaardige inscriptie vond, bestaande uit een hartje met een pijl er doorheen, met daaronder de naam Calvet en het jaartal 1891. Zoals u weet is 1891 het jaar van de inauguratie van de kerk van Rennes-le-Château. Calvet is natuurlijk Emma Calvet (of Calvé), die Saunière vaak kwam opzoeken in zijn dorp. Aangezien er geruchten gingen dat beiden een relatie zouden hebben gehad, was dit natuurlijk een leuke bevestiging hiervan. Omdat Lincoln alleen was, nam hij een foto en kwam de volgende dag terug met zijn cameraploeg. Helaas was de inscriptie toen weggehakt… Dit verhaal geeft aan hoezeer hij (en misschien ook anderen) in de gaten werd gehouden. Maar, ondanks deze benauwende gedachte, is de plek er niet minder mooi om. Behalve de plaatsen die een directe rol spelen in het Verhaal, is er nog volop te genieten van al het overige dat het gebied te bieden heeft, hoewel het moeilijk is om niet iedere keer weer bij iets te belanden, dat tóch zijdelings ermee te maken heeft. Denk je bijvoorbeeld nietsvermoedend in een gorge af te dalen (Gorges de Galamus), kom je weer terecht bij een oude, in de rotsen uitgehouwen kapel, gewijd aan St.Antonius de Kluizenaar. De overvloed aan (katharen-)kastelen, kloosters, kerken en middeleeuwse dorpen maken deze streek tot de interessantste die ik tot nu toe tegen ben gekomen in Frankrijk. Eén vakantie is echt te weinig om alles te bezoeken, en mocht u er heen gaan, dan zult u zich stellig niet vervelen. Het nadeel van deze overvloed is wel dat er te veel voor de Fransen is om te restaureren, hoewel een ruïne natuurlijk ook zijn charme heeft. Maar stap voor stap wordt "de schade" ingehaald, niet in de laatste plaats door veel particulier initiatief. 

Rennes-le-Château.

Het dorp zelf bezochten wij meerdere keren. Uiteraard ook op de dag van de eclips, waar heel Frankrijk al tijden lang naar toe leefde. Het vreemde licht en de plotselinge kou maakte het dorp nog mysterieuzer. De drukte viel gelukkig mee, zodat we alles goed konden bekijken. Wat opviel was de wijze waarop dit stukje speciale cultuurgoed behandeld werd. De parkeerplaatsen bevonden zich nog steeds aan de voet van de Tour Magdala en de watertoren, zodat alle auto’s zich door de nauwe straatjes van het dorp moesten wringen. Het kasteel ("het belangrijkste van Frankrijk") raakte steeds meer vervallen, evenals een aantal andere gebouwen. De ronde vijver voor de Villa Béthania was wel gerestaureerd, maar te modern, zodat de juiste sfeer verdwenen was. De Villa zelf werd gelukkig weer in oorspronkelijke staat teruggebracht. En ook de restauratie van het beeld van Asmodeus in de kerk was zeer geslaagd. In 1996 vond iemand het nodig om zijn hoofd af te hakken en mee te nemen. Het beeld had inmiddels een nieuwe, en als je niet beter wist, zou je het niet zien. In de voormalige pastorie was een leuke tentoonstelling ingericht, waar alle bij het Verhaal betrokken stenen te bezichtigen waren (in kopie of origineel). Bijzonder was ook het museum dat zich onder de belvédère bevond. Vele originele manuscripten, documenten, foto’s en andere "relikwieën" van Saunière waren hier tentoongesteld. Blijkbaar was men goed van vertrouwen, want alles lag zo voor het grijpen. Maar als zelfs het hoofd van Asmodeus wordt meegenomen, zou ik ook hier bang zijn voor souvenirjagers. (Gelukkig is anno 2001 alles beter geregeld.)

Na een uitgebreid bezoek aan de kerk en zijn begraafplaats, bracht ik ook lange tijd door in de plaatselijke boekwinkel. Uiteraard was ik op zoek naar gegevens die in verband zouden kunnen staan met mijn vondsten, maar helaas (of gelukkig) kon ik niets in die richting vinden. Een van de dingen die ik kocht was een groot, prachtig geïllustreerd boek, "Clef du Royaume des Morts". Bij het afrekenen bleek de verkoper ook de schrijver te zijn, namelijk Alain Feral. Feral is Rennes-le-Château-kenner bij uitstek, en heeft iedere millimeter van het dorp bestudeerd, maar toen ik hem to the point iets over de tentoonstelling vroeg, wist hij van niets en werd zijn Engels een stuk minder. Deze ervaring zou ik vaker (met anderen) hebben en later zou ik horen dat ik niet de enige was die iets dergelijks had meegemaakt. Maar hierover later meer. Allereerst moet ik u vertellen over bepaalde tekens die in het gebied steeds weer terugkomen. Ik heb reeds de gespiegelde N genoemd, dat een symbool is voor het Mysterie. Feral verwijst in zijn boek hier herhaaldelijk naar. Maar hij geeft nog meer symbolen, die allemaal terug zijn te herleiden op twee Griekse letters: de alpha en de omega. Deze laatste letter wordt vaak als kleine letter geschreven, "W", die omgekeerd een letter "M" is. Samen vormen ze een teken dat een eeuwigdurende beweging weergeeft. De tekens zijn ook te zien op de zijkant van de pilaar, waarin Saunière volgens het Verhaal de documenten gevonden heeft. Op de voorkant zien we twee keer een alpha en omega.

Kerken. 

Maar ik moest verder met mijn zoektocht. Ik was benieuwd naar de hoekpunten van de geometrie. Hoe zagen ze er uit en was er misschien informatie te krijgen die aansloot bij mijn ontdekkingen? Waren er geheime tekens? Waren er misschien mensen, die mij meer konden vertellen? Ik besloot om eerst een "rondje" langs de kerken te gaan maken. We gingen langs die van Cassaignes, Peyrolles, Serres en Arques, maar alle waren gesloten en de sleutelhouders waren onvindbaar of niet thuis. Maar het geluk was een week later met ons. Het toeval wilde dat vrienden van ons, die net gearriveerd waren, een gîte hadden gehuurd die de voormalige pastorie bleek te zijn van de kerk van Serres. Zij hadden op het laatste moment geboekt en dit huis was het enige dat ze nog konden krijgen in de wijde omgeving, niet wetende midden in mijn geometrisch patroon terecht te zijn gekomen. De sleutelhouder van de gîte bleek ook de sleutelhouder van de kerk, zodat wij die op ons gemak konden bekijken. Toen wij daarna nogmaals de andere kerken weer probeerden, was bij één kerk de sleutelhoudster in een paar minuten aanwezig en stonden alle andere kerken reeds voor ons open. Behalve die van Arques worden de kerken niet of nauwelijks meer gebruikt, hetzij door gebrek aan bevolking -want het zijn hele kleine dorpjes- hetzij door gebrek aan gelovigen. Vooral de kerk van Peyrolles is een plek, waar de tijd eeuwenlang heeft stilgestaan. Onder een dikke laag stof troffen wij prentjes en schilderijen uit de vorige eeuw, waar geen mens lange tijd naar om heeft gekeken. Een ware schat op zich, die wij uiteraard met rust lieten.

Een paar dingen vielen mij op bij de kerken. Ik had verwacht dat ze een spitse toren zouden hebben, waar ik in zou kunnen klimmen om van het uitzicht te genieten. Maar dat was niet het geval. De "toren" bestaat uit een soort verhoging van de voorgevel, waarin uitsparingen zitten voor de klokken. Op een paar na (o.a. Arques en Rennes-le-Château) zien alle kerkjes in het gebied er zo uit. Aan de achterkant is een ronde absis gebouwd, waarvoor zich het altaar bevindt. Zo op het eerste gezicht zijn ze allemaal even oud. Ik kreeg te horen dat de kerken van Serres, Cassaignes en Rennes-les-Bains uit de 12e eeuw stamden. De kerk van Peyrolles zou een eeuw ouder zijn. Het interieur van de kerken is zeer sober. Wel zijn er overal een aantal schilderijen en beelden. Met name St.Antonius van Padua en St.Roch* zijn heiligen die in de streek zeer populair zijn. Je komt ze veelvuldig tegen. De kerk van Cassaignes viel op, omdat er achter het altaar een schilderij van de gekruisigde Christus hing, met daarop wederom een gespiegelde "N". Boven het schilderij is een gelijkzijdige driehoek met precies in het midden een rond gat en een inscriptie, die niet helemaal goed te lezen is ("issi" ?). De sleutelhoudster kon ons niets vertellen. Op het tabernakel van de kerk van Serres is ook een gelijkzijdige driehoek te zien, dit keer met een inscriptie die wel goed te lezen is. Het zijn de Hebreeuwse letters JHWH, oftewel Jahweh of Jehova. De kerk van Peyrolles bood helaas geen gelijkzijdige driehoek. Op het tabernakel is een kruis met een cirkel afgebeeld. De betekenis hiervan is mij niet bekend. Achter het altaar hangt hetzelfde schilderij van Maria als in de kerk van Serres, met dit verschil dat op de versie van Serres ook een doodshoofd is geschilderd. Dit tafereel doet weer denken aan de kerk van Rennes-le-Château, waar de combinatie van Maria Magdalena met een schedel meerdere keren is afgebeeld. De kerk van Arques heeft een prachtige "A-M" op het altaar. De huidige kerk stamt uit de 13e eeuw, maar wordt reeds in 778 genoemd wanneer Karel de Grote het klooster en de kerk aan de abdij van Lagrasse schenkt.

* St.Antonius werd in 1195 in Lissabon geboren en trad in 1220 in bij de Franciscanen. Hij predikte in Zuid-Frankrijk vooral tegen de Albigenzen. Hij stierf in 1231 nabij Padua. Hij wordt aangeroepen om verloren voorwerpen weer terug te kunnen vinden. St.Roch werd geboren in Montpellier in 1350. Als pelgrim belandde hij in Italië, waar later de pest heerste. Hij genas door handoplegging, maar werd later zelf ziek. Hij werd verzorgd door een hond. In 1379 stierf hij in Montpellier op het cachot, verdacht van spionage.

Kastelen.

Nu ik het een en ander van de kerken te weten was gekomen, waren de kastelen aan de beurt. Bij alle verhalen die ik onder ogen kreeg bleek Simon de Montfort ten tijde van de kruistocht tegen de Katharen de grote boosdoener te zijn geweest, en zijn vazal Pierre de Voisins de man die vervolgens voor de wederopbouw heeft gezorgd.

Bij het kasteel van Arques was ook informatie voorhanden over Château Blanchefort, zij het zeer summier aangezien er überhaupt nauwelijks materiaal bestaat. Het "Castrum de Blancafort" wordt in 1067 voor het eerst genoemd in een eerbetoon aan de graaf van Barcelona. In 1119 bevestigt een bul van paus Caliste II dat het kasteel in het bezit is van het klooster van Alet-les-Bains. In 1162 wordt ene Guillaume de Blancafort gedwongen te vluchten en wordt "faidits", oftewel kathaars ontheemde. In 1210 wordt het kasteel door Simon de Montfort verwoest, waarna het in 1231 onder het gezag van Pierre de Voisins komt. De familie Voisins gaat wonen op het kasteel van Rennes-le-Château. Blanchefort zelf moet al vroeg verlaten zijn geweest, want het komt niet meer voor op de kaarten van Roussel (1713) en Cassini (1815). Het waarom is altijd onbekend gebleven.

Van Arques is meer bekend. Het dorp is in de 6e eeuw gebouwd door de Visigoten. Het kasteel zelf wordt voor het eerst genoemd in 1011. Kasteelheer is Bernardus Amélius de Arca. In 1118 wordt het eigendom van de heren van Termes. Het kasteel wordt in 1217 door Simon de Montfort verwoest, waarna het vanaf 1231 (net als Blanchefort) aan Pierre de Voisins toebehoort. Deze krijgt in 1260 van Lodewijk IX de titel "Baron van Arques". Eind 13e eeuw volgt Gilles I de Voisins zijn vader Pierre op, die (waarschijnlijk) in 1265 was gestorven, en begint in 1280 met de bouw van de donjon. Het is dus deze familie die de bouwers zijn van de Blanchefort-geometrie. Misschien was het Pierre die alles heeft laten berekenen, waarna zijn zoon de bouw op zich nam. De constructie wordt in 1301 voltooid door diens zoon Gilles II. De familie de Voisins blijft tot 1518 in Arques wonen. In dat jaar trouwt de laatste telg, Françoise de Voisins, met graaf Jean de Joyeuse. Ze gaan in Couiza wonen, in het door Jean gebouwde Château des Ducs de Joyeuse. In 1546 wordt het dorp Arques platgebrand door een Spaanse expeditie, maar deze strandt voor de donjon. De geschiedenis vertelt niet wat de reden daarvan was. Was de tegenstand te groot? Vonden zij het wel genoeg zo? Of spaarden zij bewust dit hoekpunt van de Blanchefort-geometrie? De laatste bewoonster van het kasteel was in 1771 de markiezin Poulpry. Daarna wordt het verkocht als nationaal goed aan de Revolutie. In 1887 wordt het uitgeroepen tot "Historisch Monument", waarvan de toren in 1910 "gemeenschappelijk bezit" wordt. Een jaar later begint men met de restauratie van de donjon en vanaf 1988 met de andere gebouwen. Hoewel vele details besproken worden, wordt nergens melding gemaakt van het toch niet allerdaagse patroon waar het kasteel onderdeel van is. Weet men het niet, of wordt het bewust niet genoemd, omdat men niet wil dat het algemeen bekend wordt? Een vreemde zaak.

Het derde kasteel is uiteraard dat van Serres. Van de bouw hiervan zijn helaas geen documenten gevonden. De basis zou gelegd zijn in de 14e eeuw. In de 16e eeuw wordt het kasteel gebouwd, zoals het er nu uit ziet. Boven een van de deuren bevindt zich het wapen van Guillaume de Voisins, die van 1530 tot 1557 bisschop van Alet was. Dit wapenschild doet uiteraard vermoeden dat de familie Voisins ook achter de bouw van dít kasteel zit. Momenteel is het in privé-bezit en niet open voor het publiek. 

Verder onderzoek.

Voor wat de Blanchefort-geometrie zelf betreft, was ik nog naar één ding benieuwd. Ik had het namelijk jammer gevonden dat de lijn vanuit Cassaignes, via Blanchefort naar de Geheime Plaats, niet door de ruïne van Château Montferrand ging. Ik was dus nieuwsgierig of het kasteel vroeger wellicht groter was geweest, zodat de lijn er wél naar toe ging. Montferrand werd dus met een bezoek vereerd. Bij het uitlopen van het dorp zag ik rechts de ruïne. Het stelde niet zo veel meer voor en het meeste was enorm overwoekerd. Links was echter geen spoor van het kasteel te zien, zodat ik aannam dat de lijn inderdaad langs het kasteel ging. Maar wat er wel stond was een calvaire, exact op de lijn die ik op de kaart had getekend! Als dat geen bevestiging van het bestaan van het patroon was. Op de calvaire staat de inscriptie "INRI 1811". De "N" is een gewone en een gespiegelde "N" samengevoegd.

Tot slot gingen wij op zoek naar de Geheime Plaats. Uiteraard had ik niet verwacht hier iets te zullen vinden, maar je weet maar nooit. De plek was zeer dicht begroeid en er was bijna geen doorkomen aan. Staande op Punt X (of in ieder geval er vlak bij) heb je goed uitzicht op Blanchefort en omgeving. Maar wat je niet ziet, dat zijn de kerken en de andere kastelen. Hoe moet je dan je positie bepalen? Een aantal andere "merktekens" in de omgeving, die me op de plaats zelf pas opviel, bood uitkomst. De Geheime Plaats bevindt zich aan de voet van een rotspunt op de berg Cardou. Op één lijn hiermee bevindt zich een andere rotpunt: de "Roque Nègre". Maar er is nog een lijn naar de Geheime Plaats. Deze gaat vanaf Blanchefort over een bruggetje over de rivier de Sals. Het snijpunt van beide lijnen geeft de juiste positie aan! Nu kan het toeval zijn, maar door beide lijnen in het oog te houden was het voor mij zonder kaart mogelijk om de Geheime Plaats te vinden. Misschien is dat vroeger ook wel op deze manier gedaan. Het bruggetje staat immers ook al op de oude kaarten van het gebied. Bovendien geeft de vorm van het dal aan dat de weg langs de Sals deze rivier altijd hier moet hebben gekruist. En zal daar altijd een of andere oversteek geweest zijn.

Ter plekke had ik, voorlopig althans, alle plaatsen wel bezocht. Ik wist nu wanneer de Blanchefort-geometrie gebouwd was en door wie. Maar toch had ik het gevoel dat er nog meer moest zijn. Aangezien de kastelen van Arques en Serres pas veel later zijn gebouwd dan de kerken binnen het patroon, speelde ik met de gedachte dat het oorspronkelijk misschien alleen uit kerken had bestaan. Om later uit te kunnen zoeken of er wellicht een onderling verband tussen de kerken bestaat, bepaalde ik met een kompas van al deze gebouwen de windrichting. Dat dit een paar maanden later zou kunnen leiden tot de ontdekking van een ander geometrisch patroon, kon ik toen nog niet vermoeden… 

Deel 5 - Hoofdstuk 17: Het Kerken-patroon.

Door mijn werk had ik na de vakantie een paar maanden geen tijd om verder te gaan met mijn zoektocht. Op zich geen probleem, want het was goed om alle informatie even te laten "zakken", waardoor een heldere kijk op de zaak mogelijk was. Het eerste wat ik deed, toen ik mijn onderzoek hervatte, was het uittekenen op de kaart van de windrichting van de kerken. Dit was een schot in de roos. De kerk van Peyrolles bleek zo gebouwd dat hij in de richting stond van Arques. De kerk van Serres stond evenwijdig aan die van Peyrolles, en de kerk van Arques was op zijn beurt gebouwd in de richting van Serres. Alleen de windrichting van de kerk van Cassaignes liep "nergens" heen. Maar in ieder geval had ik al een verband gevonden tussen drie van de vier kerken. Ik besloot om de ligging van de kerken op de kaart nader te bestuderen. Toen bleek (waarom was me dat niet eerder opgevallen?) dat de afstand Cassaignes-Peyrolles even groot was als de afstand Cassaignes-Serres. Sterker nog, de middelloodlijn op Peyrolles-Serres gaat door de kerk van Cassaignes. Deze constructie bleek met een akelige precisie gebouwd te zijn. De lijn Peyrolles-Serres is namelijk niet de lijn die de middelpunten met elkaar verbindt, maar de lijn die de altaren met elkaar verbindt! De aldus verkregen middelloodlijn gaat door het altaar van Cassaignes! Hoe hebben ze dat in die tijd in hemelsnaam voor elkaar gekregen!

Ik had nu dus weer een kerkenkruis gevonden. Alleen, hiervoor was eigenlijk een vierde kerk als hoekpunt noodzakelijk. Maar waar was die? Al zoekende ging ik de afstand meten van Cassaignes tot het snijpunt ("T") van de middelloodlijn met de verbindingslijn Peyrolles-Arques. Tot mijn verbazing was deze twee keer zo groot als de afstand Peyrolles-Serres. Waarschijnlijk had ik nu het complete kruis gevonden. Maar dan zou dit wel een heel bijzonder kerkenkruis zijn. Ik tekende het langste deel van het kruis, vanuit Cassaignes, tweemaal zo lang als Peyrolles-Serres, nam hiervan het middelpunt, en trok een cirkel. Blanchefort bleek hier op te liggen, waardoor ik weer beland was bij de lijn die het startpunt was van mijn onderzoek, een jaar geleden. De lijn Cassaignes-Blanchefort gaat immers naar de Geheime Plaats, en hierdoor ontdekte ik toen het belang van de Blanchefort-geometrie. Zou deze lijn in feite bij een ander patroon horen? Dan moet er nóg een lijn te vinden zijn. Ik trok de lijn "T"-Peyrolles door, tot het snijpunt met de cirkel. Hetzelfde deed ik vanuit "T" de andere kant op, door Serres, totdat ook deze lijn de cirkel sneed. En toen vond ik het geheim van dit "nieuwe" patroon: de twee snijpunten met de cirkel verbond ik met elkaar, en zie… het verlengde leidde rechtstreeks naar de Geheime Plaats!!!

Dit was voor mij natuurlijk weer opnieuw een bevestiging van het bestaan van mijn Punt X. Maar dan wel op een heel verrassende wijze. Namelijk door een patroon dat ouder was dan mijn Blanchefort-geometrie. Wie waren de ontwerpers híer nu weer van? In feite was er een probleem bijgekomen. Ik besloot daarom om het patroon eerst nog maar wat beter te gaan bekijken, in de hoop hier iets meer over te weten te komen. 

Het Kerken-patroon.

Wat ik eerst vanuit "T" had gedaan, deed ik nu vanuit Cassaignes. Oftewel, hiervandaan trok ik twee lijnen, één door Peyrolles en één door Serres, tot het snijpunt met de cirkel. De snijpunten verbond ik ook weer, en ik nam het midden hiervan ("V"). Evenwijdig aan Peyrolles-Serres loopt de middellijn van de cirkel. Deze snijdt de twee lijnen vanuit Cassaignes. Vanuit "V" trok ik twee lijnen door deze snijpunten. Opnieuw kreeg ik een vreemd gevoel. Ik had nu een patroon voor me, dat me bekend voor kwam. Ik had het al eens eerder gezien, en ik had een vermoeden waar. Ik haalde mijn vakantiealbum erbij, waar ik ook een gids in had geplakt met informatie over Arques. Ik haalde het los, en inderdaad stond daar op de achterkant het patroon dat ik zojuist op de kaart had getekend! Eigenlijk stond het daar in tweevoud: het ene was het wapenschild van de familie de Voisins sinds 1350; het andere was, na een kleine wijziging, het wapenschild van het dorp Arques sinds 1696 !!

Bij uitvergroting van het wapen van Arques, bleek het niet alleen te líjken op dit "Kerken-patroon", maar het wàs exact hetzelfde. Het wapen van de Voisins was iets minder exact. De hoeken klopten wel, maar de afmetingen verschilden. Maar aangezien er van dit wapenschild meerdere varianten zijn, is de overeenkomst duidelijk. Het beste bewijs is de cirkel, die om het familiewapen getrokken kan worden: de uiterste punten, links en rechts, vallen niet op de cirkel. In het Kerken-patroon niet, en op het wapenschild niet. Wat was hier aan de hand? Ik had een patroon gevonden, dat blijkbaar zo belangrijk was, dat het opgenomen werd in diverse wapenschilden. Het werd het wapenschild van een familie, die later verantwoordelijk was voor de bouw van een ànder patroon. Maar beide patronen wezen naar hetzelfde punt, namelijk de Geheime Plaats. Waarom al die moeite? Wat was er zo belangrijk, dat het op een dergelijke manier voor het nageslacht bewaard moest worden? En bovendien, waarom lees ik hier nergens iets over? Het is toch prachtig om een dergelijke herkomst van het stadswapen in je gids te zetten? Weet men hier soms tegenwoordig niets meer van? Of wordt het juist verzwegen?

Talisman.

Het bestaan van het patroon, gebruikt door de familie de Voisins, werd mij gelukkig ook op andere manieren bevestigd. In een boek met prenten uit de 18e eeuw kwam ik het tegen, als voorbeeld van een Talisman. Het teken zou de drager ervan beschermen en bij hem krachten opwekken die hij bij zijn geboorte nog niet had. Boven het patroon staat de naam Zazel, waarmee misschien Azazel, de duivel, wordt bedoeld. Van Azazel wordt ook wel gezegd dat hij de alchemistische geheimen aan de mensen openbaarde.

Ontmaskering?

Verder was ik het patroon nadrukkelijk tegengekomen in het boek van de al eerder genoemde Alain Feral. Zijn boek uit 1997 bevat een aantal illustraties, die door hem niet nader verklaard worden. Ik dacht in eerste instantie dat ze gewoon decoratie waren, ter verfraaiing van het boek, maar bij nader inzien geven ze exact delen van het Kerken-patroon weer. Zoals de "dobbelstenen", waarop tekens en letters te zien zijn. Gecorrigeerde tekeningen hiervan, waardoor de vlakken recht in beeld komen, passen er precies op. Nog duidelijker zijn de varianten op het wapenschild van de familie d’Hautpoul in het boek. Dit wapenschild bestaat uit twee gelijkzijdige driehoeken, samengevoegd tot een zegel van Salomo. Op de tekening is te zien dat Feral de vorm van het wapen van Arques gebruikt heeft voor zijn prachtige illustratie. Terwijl op de landkaart de lijn Peyrolles-Serres door de "staande" driehoek heen loopt, staat op de schedel in de tekening "P-S". Een paar bladzijden verder in het boek staat wederom een variant, maar dan wordt de vorm van het wapenschild van de familie de Voisins gebruikt. Kortom, beide tekeningen zijn overduidelijk verwijzingen naar het Kerken-patroon. Ook de namen van schrijver Anton Göte en tekenaar Spatz wijzen op bekendheid met het Kerken-patroon. Volgens sommigen, en ik voeg mij daar bij aan, zijn deze namen pseudoniemen van Alain Feral (overigens ook al een pseudoniem). De letters van de naam Spatz zijn een verwijzing naarSerres en Peyrolles, en naar de eerste en de laatste letter van het alfabet: de A en de W (uiteraard een omega). De letter T is duidelijk een verwijzing naar de basis van het Kerken-patroon: de drie kerken van Peyrolles, Serres en Cassaignes. Deze T  is natuurlijk een "Antonius-kruis", hetgeen ons brengt bij de naam Anton. Blijft over Göte……God? Ook andere illustraties geven op subtiele wijze aan dat Feral exact weet hoe e.e.a. in elkaar steekt. Oftewel, zijn boek is een van de esoterische werken, waarmee ingewijden het grote Geheim willen doorgeven aan de volgende generaties. En Alain Feral is zo’n ingewijde. Ik vernam van iemand dat hij familie is van Jean Cocteau. Dat zal hier vast en zeker mee te maken hebben.

Deel 5 - Hoofdstuk 18: De bouwers.

Tot slot van dit hoofdstuk is het natuurlijk interessant er achter te komen wie er verantwoordelijk is geweest voor de bouw van de kerken van Peyrolles, Cassaignes en Serres. Het zijn kleine dorpjes met momenteel nog geen honderd inwoners, en dat zal in die tijd niet veel anders geweest zijn. Toch bestaan ze al heel lang. In een acte uit 889 wordt gesproken van een "villa quae dicitur Cassanias" en een "villa quae dicitur Petrolas", oftewel Cassaignes en Peyrolles. Serres wordt pas in 1210 voor het eerst genoemd, "Serris". Wanneer de kerken precies gebouwd zijn, is niet bekend. Wel is men het er over eens dat het in de 12e eeuw moet zijn geweest. Omstreeks 1127 keerden de Tempeliers voor het eerst terug uit het Heilige Land. Een document, gedateerd 20 mei 1130, bevestigt de overdracht van "Peirois" (Peyrolles) aan hun Orde. Andere documenten geven aan dat Serres en Blanchefort (en ook Rennes-les-Bains) behoorden tot de bezittingen van de abdij van Alet-les-Bains. En deze abdij behoorde op zijn beurt van 1132 tot 1180 weer tot de bezittingen van de Orde der Tempeliers, waarvan Bertrand de Blanchefort van 1153 tot 1169 de Grootmeester was! Van deze Bertrand is bekend dat hij in 1156 een groep Duitse mijnwerkers naar Frankrijk haalde voor werkzaamheden in de buurt van Blanchefort. Een vreemde zaak, want de mijnen waren in die tijd al uitgeput. Ook is het merkwaardig te noemen dat ze geen contact mochten hebben met de plaatselijke bevolking. Zou dit verband kunnen houden met de Geheime Plaats?

Uit het vermoeden dat de Tempeliers achter de bouw van het patroon zitten wordt ook het belang verklaard van het "Château des Templiers" in Le Bézu, dat in 1288 door Pierre II de Voisins werd verbouwd. Voor de bouw van een kapel en een uitkijkpost haalde hij een speciale groep Tempeliers uit de Roussillon hiernaar toe. In Deel 4 had ik mij verbaasd dat de lijn van Le Bézu door Punt X naar de kerk liep van Serres, en niet naar het kasteel. Maar ook dat is nu aan de hand van het Kerken-patroon opgehelderd. Bovendien heb je vanaf de Tempelierspost, officieel "Château d'Albedun" geheten, een prachtig uitzicht op de Geheime Plaats en kan je het goed in de gaten houden. Een ander bewijs wordt gevormd door de commanderie van de Tempeliers in Campagne-sur-Aude. Het langste deel van het kruis van het Kerken-patroon wordt gevormd door de middelloodlijn op Peyrolles-Serres. Deze gaat door de kerk van Cassaignes. Maar het verlengde van deze lijn eindigt in de kerk van de genoemde commanderie. Een duidelijker aanwijzing bestaat er niet.

De familie de Voisins.

Er bestaan dus twee geometrische figuren, de "Blanchefort-geometrie" en het "Kerken-patroon". Blanchefort en Cassaignes zijn de punten waar beide patronen bij elkaar komen. De lijn hier doorheen gaat rechtstreeks naar de Geheime Plaats. In feite is het een lijn die bij het Kerken-patroon hoort. Vandaar dat hij wel voorkomt op de "Plattegrond van Jeruzalem", maar niet in de latere schilderijen. Met het miniatuur uit St.Bertin heeft men de overgang van het "oude" naar het "nieuwe" patroon aan willen geven. Het moet een heel gereken geweest zijn, destijds. Het Kerken-patroon bestond al lang toen de Albigenzische kruistochten losbarstten. Het is alleen niet duidelijk of Pierre de Voisins al vóór zijn vertrek naar het zuiden van het bestaan hiervan op de hoogte was. Het geslacht de Voisins komt uit Voisins-le-Bretonneux, in de Yvelines, de streek ten zuidwesten van Parijs, waar ook het plaatsje Montfort-l’Amaury ligt. Hier komen ook zijn vrienden Simon de Montfort en Arnaud-Amaury vandaan die in 1209 al ten strijde trokken. Pierre volgde in 1217, na een jaar eerder als weldoener van de abdij Vaux-de-Carnay te zijn opgetreden. In 1231 volgde hij Lambert de Limoux op als "heer van Limoux", waardoor ook het gebied rond Blanchefort onder zijn hoede kwam. Het kan natuurlijk zijn dat Pierre toen pas de informatie betreffende de Geheime Plaats te horen kreeg. In ieder geval is het nuttig om de verdere geschiedenis van de familie te volgen. Zoals gezegd werden de kastelen van Blanchefort en Arques in het begin van de 13e eeuw door de legers van de Montfort vernietigd en kwamen in 1231 onder het gezag van Pierre. Deze ging wonen in het kasteel van Rennes-le-Château, toen nog Rhedae geheten, en was verantwoordelijk voor de opbloei van het dorp. Een halve eeuw later bouwden zijn nakomelingen (via zijn derde zoon Gilles I) de donjon van Arques, perfect in een 30°-60°-90° driehoek met Blanchefort en Peyrolles. In de 14e eeuw werd ook begonnen met de bouw van het kasteel van Serres, waarmee het nieuwe patroon werd voltooid. In 1350 werd het oude Kerken-patroon als familiewapen aangenomen. Terwijl de afstammelingen van Gilles I in Arques woonden (en later in Couiza), verbleef een andere tak (via de oudste zoon van Pierre, Pierre II) op het kasteel van Rhedae. In 1362 werd het gebied overheerst door de Spaanse graaf Henri de Tastamare, die het dorp weer verwoestte. De kleine gemeenschap die overbleef, werd Rennes-le-Château genoemd. De naam "de Voisins" verdween hier, toen de laatste afstammelinge met die naam in 1400 trouwde met ene heer Marquefave. Hun dochter trouwde in 1422 met Pierre-Raymond d’Hautpoul, die zich baron mocht noemen. In 1680 was het Henri, baron d’Hautpoul, die weer de titel "heer van Blanchefort" aannam. De laatste baron met deze titel stierf in 1732. Zijn echtgenote was Marie de Negri d’Ables! En zo is de cirkel van ons verhaal weer rond. Want deze Marie de Negri d’Ables, Dame d’Hautpoul de Blanchefort, gaf op haar sterfbed in 1781 een geheim door aan haar pastoor Antoine Bigou. Een geheim, dat al vele generaties lang, van geslacht op geslacht door de Blancheforts was doorgegeven. Hiermee is duidelijk geworden dat het Geheim van Blanchefort ook het Geheim van familie de Voisins is, en dus ook het Geheim van het Kerken-patroon en de Blanchefort-geometrie. Oftewel, het Mysterie van Rennes-le-Château is niets anders dan het mysterie van de "schat" die zich op de Geheime Plaats bevindt!

De Steen van Serres.

Nog een aanwijzing voor een verband tussen de Tempeliers en het Kerken-patroon is te zien aan de noordwand van de kerk van Serres. Boven een dichtgemetselde deur bevindt zich een steen die jarenlang aan het zicht onttrokken moet zijn geweest, gezien de sporen van weelderige plantengroei. Sinds een paar jaar houdt een vereniging zich bezig met het herstel van de kerk, en daarbij zijn natuurlijk ook de deur en de steen weer te voorschijn gekomen. Op deze steen staat een Tempelierskruis gegraveerd, met aan de bovenkant een soort halve cirkel en aan de onderkant een rechthoek. Omdat vrienden van ons de voormalige pastorie hadden gehuurd, zoals eerder gezegd, was de steen me al opgevallen. Tegen het einde van die vakantie bezochten wij in Campagne-sur-Aude een tentoonstelling over de Tempeliers. Er bleek ook een grote foto van bovengenoemde steen te hangen. Volgens de begeleidende tekst werd de dichtgemetselde deur "la porte des morts" genoemd, omdat de doden door deze deur naar de begraafplaats werden gebracht. Dit was dus sinds een paar jaar de tuin van de gite, waar wij die avond daarvoor nog hadden genoten van een barbecue. De steen werd beschreven als zeer uniek en mysterieus. Men vroeg zich af wat hij daar deed aangezien er (volgens hen) geen activiteiten van de Tempeliers in Serres waren geweest. Nergens had men een dergelijke inscriptie gezien, maar wel had de sleutel van een van de deuren van het kasteel van Serres dezelfde vorm! Door dit verhaal nieuwsgierig geworden, ging ik de volgende dag de steen nogmaals bekijken. Uiteraard wilde ik er ook een foto van maken. Hoewel het toestel mij al jarenlang trouw dienst had gedaan, zonder ooit één mankement te hebben gehad, gebeurde er nu iets vervelends. Na het scherp stellen drukte ik af, en … het alarm van het toestel ging af. In de display stond "HELP" te lezen, ten teken dat de batterijen vernieuwd moesten worden. Maar die had ik net vernieuwd! Wat ik verder ook deed, niets hielp en de rest van de vakantie weigerde het toestel dienst. Geen enkele fotozaak bleek mij zo gauw te kunnen helpen. Omdat ik niet wist of de foto ondanks alles toch gelukt was, vroeg ik iemand anders een foto te nemen. Maar wat gebeurde er de volgende dag? Ook dat toestel weigerde. De batterijen moesten vervangen worden! Gelukkig deed deze het daarna wel weer. Helaas hebben we geen tijd gehad om nog een derde toestel uit te proberen. Later terug in Nederland moest mijn toestel opgestuurd worden naar de importeur. Toen bleek dat de spiegel geblokkeerd was. De reden heeft men niet kunnen vinden. Maar het is wel frappant dat uitgerekend de spiegel, die toch een belangrijke rol in het verhaal speelt, de oorzaak was van dit ongemak. Toevallig? Ik hoop het. In ieder geval is de laatste foto met mijn toestel wel gelukt, en was dit een van de vele voorvallen die de vakantie een speciaal tintje gaf.

Het graf in Pezens.

Het was pas jaren later dat de betekenis van de inscriptie mij duidelijk werd. Op het spoor gekomen van de familie de Voisins was ik mij meer gaan verdiepen in het wel en wee van dit geslacht. De vertakkingen zijn zo talrijk dat het bijna ondoenlijk is om alles te achterhalen. Maar één tak leek mij belangrijk, nl. de afstammelingen van Guillaume I, de kleinzoon van Pierre. Zij woonden in het dorp Pezens, even ten westen van Carcassonne. Dit dorp heeft een aantal keren in het verleden de naam "Voisins" gehad, een bewijs dat deze familie een belangrijk stempel heeft gedrukt op de geschiedenis van het gebied. Van 1296 tot 1774 zijn alle leden van de familie begraven geweest in de kerk van Pezens, daarna op het plaatselijke kerkhof.   In 1785 trouwde de laatste afstammelinge met de naam "de Voisins" met graaf Antoine Paul Joseph de Pins. Toen ik in 2000 een bezoek bracht aan het dorp bleek dat zijn graf nog steeds is te zien op het kerkhof, samen met die van andere familieleden, waarvan de namen nauwelijks meer te lezen zijn. Toch is een van die graven belangrijk. Want het kruis dat op het graf is afgebeeld, loopt over in een smal spoor dat sterk doet denken aan de inscriptie van de steen van Serres. Zouden dit verwijzingen zijn naar de Geheime Plaats?

De Geheime Plaats.

Toen ik voor de eerste keer de plek zelf bezocht had ik niets bijzonders aangetroffen. Dat was achteraf niet zo verwonderlijk, want het bleek dat ik wel in de buurt was geweest, maar niet exact op de Geheime Plaats had gestaan. Maar na dit eerste bezoek kreeg ik veel meer informatie. Ik had mijn foto's, genomen vanaf het pad naar Blanchefort, ik had de kaart van het I.G.N. en ik had het patroon van de Blanchefort-geometrie. Toen ik tenslotte ook nog de luchtfoto's van het I.G.N. toegestuurd had gekregen, was ik in staat om de locatie tot op de meter exact te bepalen. Gewapend met deze gegevens beklom ik zomer 2000 de flanken van de Cardou. Vanaf een bepaald punt moest ik nog 25 meter richting zuid-oost lopen. Bij de laatste stappen stuitte ik op een rij stenen die als een pad van boven naar beneden liep. De rij was ongeveer een meter breed en ik schat zo'n 40 meter lang. De hoogte is ongeveer 30 centimeter. Het kon natuurlijk zo zijn dat deze stenen door natuurgeweld van de rotsen van de Cardou naar beneden waren gerold. Even verderop trof ik echter een verzameling stenen en rotsblokken aan waar je echt aan kon zien dat dit door de natuur was gedaan. Het leed geen twijfel: het spoor van stenen was door mensenhanden gemaakt! Is dit waar de steen van Serres en het graf in Pezens naar verwijzen?

 

Deel 6: Het Geheim.

De verlossing van de mensheid
wordt verkregen door het lijden van Jezus
en het vergieten van zijn bloed

Paus Johannes XXIII (1960)


Ik weet zeker dat de dingen die ik dank zij mijn onderzoek heb ontdekt "echt" zijn en geen verzinsels van mijn kant of van wie dan ook. Maar hoe graag ik het ook zou willen, ik kan (nog) geen exact antwoord geven op de vraag wat het Geheim nu precies is. Wel kan ik een oplossing geven wat de "schat" mogelijk zou kunnen zijn.

Deel 6 - Hoofdstuk 19: Religie.

Bijna iedereen die ik vertelde van mijn vondsten, vroeg mij of ik de plaats van een schat had gevonden en wanneer ik daar ging graven. Maar afgezien van het feit dat het mij zeer gênant lijkt om daar met een schep over je schouder rond te lopen, was dit tot nu toe niet het doel van mijn onderzoek geweest. Ik wilde alleen maar aantonen dàt er een Geheime Plaats was en hoe dit Geheim door de eeuwen heen door een groep ingewijden bewaard was gebleven. Maar nu het inmiddels duidelijk is geworden waar die plek is en ik een redelijke lijst met mensen heb die van het Geheim op de hoogte waren (om de lijst compleet te maken zal overigens nog jaren vergen), komt de vraag aan de orde: wat houdt het Geheim nu precies in? Waarom al die moeite om juist díe plek aan te geven en te verbergen? Waarom al die moeite om gebouwen op bepaalde plekken te situeren, om schilderijen in bepaalde patronen maken, om boeken en pamfletten in codes schrijven, waardoor alleen diegenen die er van af weten het getoonde kunnen begrijpen. Is er dan echt een schat? Het juiste antwoord lijkt mij "ja". Het is alleen de vraag, wat die schat nu precies inhoudt. In het hoofdstuk over de geschiedenis van het gebied heb ik al een aantal mogelijkheden gegeven. Het zijn de Tempelschat en de schatten van de Visigoten, de Merovingen, de Tempeliers en de Katharen. Ook worden de Graal en zelfs de Ark des Verbonds genoemd als mogelijkheden, wat de plaatsnaam "Arques" zou kunnen verklaren. Al deze schatten hebben één ding gemeen: ze hebben velen naar Rennes-le-Château doen afreizen, in de hoop enige rijkdom te kunnen vergaren. En bovendien hebben ze het dorp eeuwige roem verschaft. Het lijkt mij echter niet dat er een waardevolle materiele schat begraven ligt. Was dit wel het geval geweest, dan had in de loop der tijden iemand het vast wel een keer opgegraven. Het Kerken-patroon bestaat al sinds de 12e eeuw, dus bestaat het Geheim toch ook minstens 800 jaar. Bovendien is het duidelijk dat er zeer veel mensen bij betrokken zijn geweest. Zou dan nooit iemand een keer uit hebzucht een poging gedaan hebben? Vast wel. Daarom lijkt het mij duidelijk dat het geen materiële maar een immateriële schat betreft. Een schat die emotionele waarde heeft en daarom voor rovers niet van belang was. Een schat die een Geheim inhoudt met geestelijke waarde, zeer belangrijk voor vele en misschien wel voor alle mensen. Dat is de reden waarom deze "schat" verborgen bleef en moest blijven. Waar je daarbij onmiddellijk aan moet denken, is aan een schat die met religie te maken heeft. In dit verband zijn er al eerder suggesties gedaan. Volgens sommigen namelijk, zou in de buurt van Rennes-le-Château, of "ergens" in Frankrijk, het graf van Christus zijn. Ik kan mij voorstellen dat deze nogal boude bewering bij velen een schok teweeg kan brengen, terwijl anderen hiervoor lachend hun schouder zullen ophalen. Maar is deze uitspraak überhaupt serieus te nemen? Ik ging op zoek naar het antwoord.

Het katholicisme.

Een van de factoren die hierbij een rol speelt, is de ontstaansgeschiedenis van de Katholieke Kerk. Iedereen is door opvoeding en scholing "geprogrammeerd". Bepaalde opvattingen zijn er bewust of onbewust "ingestampt", zodat je bekend bent met de enige "waarheid". Kritische mensen zullen op een bepaald moment in hun leven deze waarheid gaan toetsen, en er soms achter komen dat deze niet strookt met hun eigen opvattingen. Afvallige katholieken zullen dit proces zeker herkennen. Het ontstaan van hun Kerk is tegenwoordig bekend, maar toch ergeren vele gelovigen zich er aan, en ontkennen de feiten als hierover geschreven wordt.

Jezus was een jood die leefde ten tijde van de Romeinse overheersing. In zijn tijd waren er vele groeperingen die in opstand kwamen tegen de onderdrukking. Die van de Nazareners was daar één van, met Jezus aan het hoofd. Als afstammeling van het huis van koning David, was hij bovendien ook de rechtmatige kroonpretendent van het land. Om zijn acties kracht bij te zetten, gebruikte hij bepaalde profetieën, zoals het binnentrekken van Jeruzalem op een ezel op de dag voor Pasen. Zoals u weet werd hij daarna opgepakt en gekruisigd. Onbedoeld had hij daarmee een nieuwe religie gestart. Terwijl zijn broer Jacobus het leiderschap in Jeruzalem op zich nam, kreeg de Romeinse legeraanvoerder Saulus, die de volgelingen van Jezus achterna zat, een visioen en bekeerde zich. Hij werd er vervolgens door Jacobus op uit gestuurd om ook andere mensen tot het joodse geloof, naar de inzichten van Jezus, te bekeren. Paulus, zoals hij zich sindsdien liet noemen, verbreidde het geloof echter op zijn eigen manier. Hij verliet steeds meer de joodse gebruiken en beschouwde Jezus zélf als God. Dit had een definitieve breuk met Jacobus tot gevolg. Om het succes van zijn missie te vergroten, vermengde Paulus zijn leer met die van andere culturen. Door deze aanpassingen werd de nieuwe leer van Paulus overal snel populair. Alleen de Romeinen bleven trouw aan hun eigen goden, gezien de vele vervolgingen onder de christelijke gemeenschap. Pas toen Keizer Constantijn zich in 312 bekeerde, kwam hier verandering in. Onder zijn leiding werd bij het concilie van Nicea in 325 het christendom vormgegeven. De geboortedag van Jezus werd verplaatst van 6 januari naar 25 december (nota bene de dag van het feest van de "Sol Invictus", de zonnegod van Constantijn), Rome werd het centrum van de Kerk, en Jezus werd (bij stemming!) officieel tot God verklaard.* Kerkvergaderingen bepaalden ook welke evangeliën de juiste waren. De verhalen die niet aansloten bij de toenmalige inzichten van de Kerk, werden verboden verklaard. Deze worden de zogenaamde "apocriefe" evangeliën genoemd.

Zoals eerder vermeld kon het katholicisme van Rome door een verbond met de Merovingen verder verbreid worden. Later namen de Karolingen deze taak over in het Heilig Roomse Rijk. De Heilige Inquisitie vormde de politiemacht om tegenstanders in het gareel te houden. Filips de Schone verplaatste de pauselijke zetel in 1309 naar Avignon. In feite begon hiermee al de verdeeldheid, waaruit later talrijke afscheidingen zijn ontstaan. Vele daarvan worden als "ketters" beschouwd, eigenlijk alleen maar omdat ze terug wilden naar het oorspronkelijke geloof, zonder alle pracht en praal, en zonder alle verzonnen elementen. Bovenstaand verhaal geeft aan dat het katholicisme op een geforceerde manier is ontstaan uit het joodse geloof. Het geloof in (een) God staat hier buiten, maar het geloof in Jezus, zijnde de Zoon van God, is het grote verschil. Voor de joden is Jezus niet de Messias. Voor de katholieken is hij dit wel degelijk, en is hij voor alle mensen op aarde gekomen om te sterven ter vergeving van de zonden.

* Eén van de tegenstanders was bisschop Arianus. Uit zijn opvattingen is het "arianisme" ontstaan.

Deel 6 - Hoofdstuk 20: Het lege graf.

Maar hoe zit het dan met de dood van Christus? Als zijn graf inderdaad "ergens in Frankrijk" is, dan rijst natuurlijk de vraag hoe hij daar kwam. Is in het verleden zijn graf in Jeruzalem ontdekt, waarna hij in Frankrijk werd herbegraven? Of overleefde hij de kruisiging, en vluchtte hij incognito daarheen met Maria Magdalena? Beide varianten zouden mogelijk kunnen zijn. Zoals gezegd hebben de Tempeliers onder de Tempel van Salomo in Jeruzalem opgravingen verricht. Het zou kunnen zijn dat zij op zoek waren naar de Tempelschat, maar misschien zochten zij wel naar het graf van Jezus. Dit zou een mogelijke reden kunnen zijn geweest van hun oorspronkelijke oprichting, hetgeen ook zou kunnen verklaren waarom er in de beginjaren maar negen Tempeliers waren, terwijl er duizenden pelgrims beschermd moesten worden. Mogelijk hebben zij destijds, in Jeruzalem, het lichaam van Jezus gevonden en meegenomen naar Frankrijk. Is dit dan de oplossing van het beroemde Geheim van de Tempeliers? Het zou kunnen, maar ook de tweede optie is mogelijk. Er zijn een aantal aanwijzingen dat Jezus de kruisiging inderdaad heeft overleefd. De eerste duidelijke aanwijzing is natuurlijk zijn lege graf. Volgens de evangeliën was Maria Magdalena de eerste die ontdekte dat Jezus was "opgestaan" uit het graf, waarvan Jozef van Arimathea de eigenaar was. Uitgerekend deze twee zouden volgens de legenden met een aantal personen naar Zuid-Frankrijk zijn gevlucht. Was Jezus een van die personen? Oftewel, was er destijds een complot gesmeed om hem uit de handen van de Romeinen te redden? Het zou kunnen, want er zijn nooit bewijzen van zijn dood en herrijzenis gevonden. Vandaar dat zijn opstanding ook een geloof is.

Een andere aanwijzing voor deze laatste theorie vond ik in de Koninklijke Bibliotheek in Den haag. Daar waar de plattegrond van Jeruzalem wordt bewaard, is ook een 18e-eeuwse Duitse kopie hiervan te zien. De kopie is zeer gedetailleerd, ik kan de transparant met de Blanchefort-geometrie er zo passend opleggen. Echter, wat opvalt is dat er één detail ontbreekt: het Heilige Graf. Op het origineel is het Graf leeg, maar op de kopie is het graf helemaal weggelaten. Wat is de reden hiervan? Een leeg graf moet namelijk aangeven dat Jezus voor ons is gestorven en vervolgens uit de dood is opgestaan. Dat is de basis van het katholieke geloof. Juist daarom had de kopiist het Graf wél moeten tekenen. Door het Graf echter helemaal weg te laten, wilde hij aangeven dat het niet nodig is geweest en ongebruikt is gebleven, en dat Jezus dus niet is gestorven… Deze zeer ketterse gedachte mocht in de 18e eeuw natuurlijk niet worden uitgesproken. Daarom was het zaak om dit op een subtiele manier te verbeelden. De schilderkunst was een van die methoden. Zoals Nicolas Poussin het deed met zijn "Les Bergers d’Arcadie", en ook alle andere ingewijden met hun werken, zo deed deze kopiist het met deze plattegrond. Maar er is nog een aanwijzing...

De Lijkwade van Turijn.

In 1204 veroverden de kruisvaarders Constantinopel. Bij deze inname werd het zogenaamde "mandylion" buitgemaakt. Dit was het doek dat gebruikt was om Jezus in te wikkelen, nadat hij van het kruis was gehaald. Het doek was later geschonken aan koning Abgar, die in Edessa woonde. Rond het jaar 944 kwam het doek in Constantinopel terecht. Na de val van deze stad werd het doek door de Tempeliers naar Frankrijk overgebracht en door hen in bewaring genomen. Het in vieren gevouwen doek (een "tetradiplon") was zodanig te zien, dat alleen het hoofd zichtbaar was. (Wellicht wordt hiermee het hoofd "Baphomet" bedoeld, dat de Tempeliers zouden hebben aanbeden.) Bij de arrestatie van de Tempeliers in 1307, werd het doek in veiligheid gebracht door Geoffroy de Charnay, de naaste medewerker van Grootmeester Jacques de Molay. Beiden werden later door verbranding terechtgesteld. Omstreeks 1357 werd het doek tentoongesteld in de kerk van Lirey. De toenmalige eigenaar was Geoffroy de Charny. (Hoewel de namen dit doen vermoeden, is de familieband met de Charnay nooit vastgesteld.) Het doek bleef tot 1453 in het bezit van de familie de Charny, en werd toen, bij gebrek aan opvolgers, geschonken aan de hertog van Savoye. In 1532 ontsnapte het doek in Chambéry ternauwernood aan een brand. Sinds 1578 is het doek te bezichtigen in Turijn, daardoor bekend als de "Lijkwade van Turijn". Het bleef tot 1983 in het bezit van de familie van Savoye. De huidige eigenaar is de Kerk van Rome. Dit instituut liet in 1988 een onderzoek met de C14-methode doen, waaruit bleek dat het doek een middeleeuwse vervalsing is. Omdat de beeltenis, die op het doek te zien is, onmogelijk met schildertechnieken gemaakt kan zijn, twijfelden velen aan de juistheid van de conclusie van dit onderzoek. De Duitsers Gruber en Kersten toonden in hun boek aan op welke wijze het onderzoek was gemanipuleerd, en dat het doek wel degelijk de echte lijkwade is. Als proef behandelden zij een overeenkomend doek met de helende kruiden aloë en mirre. Na contact met een hevig transpirerend lichaam waren hierop de contouren van romp en ledematen te zien. Hun conclusie was derhalve, dat de beeltenis op de Lijkwade was ontstaan door het lichaam van de zwaargewonde, maar in ieder geval nog levende Jezus. Een conclusie die, als dit de echte waarheid bevat, de Kerk uiteraard niet zo goed uit komt.

Deel 6 - Hoofdstuk 21:  Rozenkruisers.

Jezus had de kruisiging overleefd, had na zijn herstel een anoniem leven geleid (in Frankrijk of elders), had via Maria Magdalena voor nakomelingen gezorgd waardoor de stamboom van het Huis van David werd voortgezet, en was later in Frankrijk begraven. Dit is, kort samengevat, de inhoud van het grote Geheim. Een Geheim dat vooral bewaakt werd (en wordt?) door de Prieuré de Sion. Van 1637 tot 1654 was Johan Valentin Andreae hiervan de Grootmeester. Andreae stond in het begin van de 17e eeuw aan de basis van de Rozenkruisersbeweging. Volgens sommigen is deze ontstaan uit de Graalsbeweging* en uit de Tempeliers. De antroposoof Rudolf Steiner plaatst het beginpunt in de 13e eeuw. Via het zoeken van de geest achter de natuur en in de mens, moesten de Rozenkruisers de eerste aanzet leveren tot de opbouw van een nieuw natuurwetenschappelijk tijdperk. De filosofie hierachter was te herleiden naar een aantal geschriften, waarvan de "Fama Fraternitatis" (1614) en de "Confessio Fraternitatis" (1616) de bekendste zijn. In 1616 verscheen ook het boek "Chymische Hochzeit Christiani Rosenkreuz Anno 1459", dat al in 1604 door Andreae was geschreven. De Rozenkruisers vormen een groepering die in het Verhaal meerdere keren opduiken. De drie graden van de Prieuré de Sion (na de Grootmeester) worden, zoals al eerder gezegd, het "Hof van de 13 Rozenkruisers" genoemd. En in Deel 4 heb ik het gehad over de "Roze Lijn", de Roseline, die door de Geheime Plaats gaat. Misschien vormen de lijnen hier doorheen samen wel het "Roze Kruis", en is deze plek met zijn Geheim de basis van de door Andreae nieuw leven ingeblazen Rozenkruisersbeweging. De combinatie van de roos en het kruis is dan wellicht een symbool van het Geheim. Het is niet alleen terug te vinden in het embleem van de Rozenkruisers, maar ook op een aantal Tempeliersgraven en op het graf van een van de laatste Grootmeesters van de Prieuré de Sion, Jean Cocteau.

De naam Roseline komen we ook in Schotland tegen. Rosline of Roselin was tot in de 19e eeuw de naam van het plaatsje Rosslyn, vlak bij Edinburgh. Hier is Rosslyn Chapel, een kapel uit de 15e eeuw, die rijkelijk versierd is met symbolen uit de vrijmetselarij. Dat is niet zo verwonderlijk, aangezien hier vlakbij het hoofdkwartier was van de Schotse tak van de Tempeliers. Van hen is het geslacht Sinclair de bekendste. Deze afstammelingen van het Franse Saint-Clair stonden in de 17e eeuw aan de basis van de vrijmetselarij. Aangezien de familie Saint-Clair banden heeft met de familie Blanchefort, -beide zouden immers afstammen van de Merovingen-, zijn we weer terug bij het Verhaal. Zou er een historisch verband kunnen zijn tussen de Vrijmetselarij, de Rozenkruisers, en het Geheim van Blanchefort? Een direct aanwijsbare overeenkomst is in ieder geval het gebruik van de geometrie. Beide stromingen hanteren veelvuldig diverse wiskundige patronen als symbool om kennis te bewaren en door te geven. Deden de bouwers van de Blanchefort-geometrie en het Kerken-patroon niet precies hetzelfde?

* Het gebouw van de Graalsbeweging in Hilversum laat een roosvenster zien met een "Occitaans kruis".

Bérenger Saunière.

Ook Saunière had contacten met de Rozekruisers. Niet alleen in Parijs, waar hij, na de vondst van de documenten, met mensen omging die zich met esoterie bezig hielden. Maar ook later in Rennes-le-Château, waar hij veelvuldig bezoek kreeg van diverse personen uit deze kringen. Wellicht betaalden zij hem hoge vergoedingen als huur voor de Villa, om maar in de buurt te kunnen zijn van hun Geheime Plaats. Met zijn collega’s, Henri Boudet uit Rennes-les-Bains, en Antoine Gélis uit Coustaussa, onderhield hij nauwe banden. Volgens sommigen toonden zij een voor priesters ongewone belangstelling voor de Rozenkruisers. In 1897 werd Gélis in zijn pastorie vermoord. Er was niets gestolen en er waren geen sporen van braak. Wel had de pastoor gevochten voor zijn leven. De dader is nooit gevonden en de moord nooit opgehelderd. Een bewijs van de interesse van Saunière voor de Rozenkruisers vond ik in Den Haag en in Rennes-le-Château zelf. In de Koninklijke Bibliotheek was begin 1999 een tentoonstelling over de geschiedenis van de Rozenkruisers. Tussen de talrijke eeuwenoude boeken viel mij, als buitenstaander, één boekje speciaal op. Het was in 1625 uitgegeven in Frankfurt en bevatte teksten en "figuren" van de Rozenkruisers. Het lag (toevallig?) open op een bladzijde waarop ene dokter Henricus Madathanus Theosophus, die een jaar daarvoor was ingewijd, ons zijn persoonlijke wapenschild toont. Ik herkende de tekening onmiddellijk. Het hing ook in het museum van Rennes-le-Château en wordt beschreven in "De Tombe van God" van Andrews en Schellenberger. Volgens hen is het de ex-libris van Saunière. Echter, navraag bij de opsteller van de expositie over Saunière leerde mij dat de illustratie alleen was opgehangen als voorbeeld van wat de letters "B.S." zouden kunnen betekenen, die boven het beeld van Asmodeus in de kerk te zien zijn. Hier zijn namelijk veel suggesties over gedaan. Het zou "Blanque - Sals" kunnen betekenen, naar de twee riviertjes die ten zuiden van Rennes-les-Bains, vlak bij de "Duivelsstoel", bij elkaar komen. Of "Basilic - Salamandre", zogeheten "alchemistische" symbolen. Maar ook zou het "Boudet - Saunière" kunnen betekenen, of simpelweg "Bérenger Saunière". Hoewel mij werd verzekerd dat de tekening niet tussen de boeken van Saunière was gevonden, vond ik het toch vreemd dat het zonder enige begeleidende verklaring op de expositie te zien was. Navraag bij Alain Feral leverde ook niets op. Hij beweerde zelfs dat hij de illustratie nog nooit had gezien, terwijl het al jarenlang in het museum hing... Maar het beeld zelf in de kerk gaf mij het antwoord. De letters zijn inderdaad de initialen van Saunière. Maar, niet alleen de letters zijn dezelfde, maar ook het lettertype. Een overeenkomst, die velen moet zijn ontgaan. Maar als je beide afbeeldingen naast elkaar houdt, is het duidelijk: Saunière kende dit wapenschild van Madathanus en dus ook de inhoud van de geschriften van de Rozenkruisers. Door beide letters, toevallig ook zijn initialen, op exact dezelfde wijze op het beeld te laten zetten, heeft hij aan willen geven dat hij sympathiseerde met de filosofieën van de Rozenkruisers. Voor een katholiek priester rond het begin van de 20e eeuw waarlijk een vreemde en gevaarlijke zaak. De "B.S." van Madathanus, een Rozenkruiser uit de 17e eeuw, betekent niets minder dan "Beneficentia" en "Sapientia", oftewel "Weldadigheid" en "Wijsheid". Een bevestiging hiervan is het feit dat vroeger deze "S" in de vorm van een slang was geschilderd, het symbool van de wijsheid.

Deel 6 - Hoofdstuk 22: Conclusie.

Ik heb u op deze site aan kunnen tonen dat het "Mysterie van Rennes-le-Château" en het "Geheim van Blanchefort" dezelfde oorsprong hebben als de door mij ontdekte Blanchefort-geometrie en het Kerken-patroon. Alles wijst erop dat het gaat om die ene Geheime Plaats op de flanken van de berg Cardou. Bovendien leerde het wapen van het dorp Arques mij nog meer. Als je het patroon goed bekijkt, dan is het samengesteld uit twee letters: de "A" en de "M", de alpha en de omega. Oftewel, het Geheim waar dit patroon naar verwijst, is een Geheim van Christus!

De vele speculaties over een graf van Christus in Frankrijk leken mij in eerste instantie ver gezocht en te sensationeel om waar te zijn. Maar uit mijn eigen onderzoek zou ik best wel eens de conclusie kunnen trekken dat de kans bestaat dat op de Geheime Plaats het Graf van Christus is !!! Deze voorzichtige conclusie zal voor sommigen geen verassing zijn, terwijl het voor anderen misschien lachwekkend is. Een derde groep zal het wellicht als godslastering beschouwen. Maar het bestaan van een historische Jezus moet echter los gezien worden van het geloof in een Goddelijke Christus. In dit verband citeer ik mijn encyclopedie, waar in 1977 al in stond: "Sommige theologen zijn van mening dat het geloof in de levende Heer voorrang moet hebben boven het geloof aan de historische betrouwbaarheid van de overlevering in deze. Zij wijzen er op dat het Nieuwe Testament geen enkele verschijning van de verezen Jezus vermeldt aan neutrale getuigen of aan zijn tegenstanders. In dit perspectief verschijnt de opstanding van Christus voornamelijk als een geloofsuitspraak, historisch even weinig te controleren als de uitspraak dat het Rijk van God nabij is gekomen." Vandaar ook de uitspraak van Paus Johannes XXIII (aan het begin van dit deel), die in 1960 de nadruk legde op het "lijden van Jezus" en niet op zijn dood en opstanding.

Afsluitend brengt deze conclusie ons bij de vraag waarom acht eeuwen lang nog nooit iemand iets heeft verklapt. Waarom er nog nooit iemand is geweest, die heeft verteld wat het Geheim inhoudt. De reden hiervan is dat het Geheim stamt uit een periode dat de Kerk van Rome een ongekende macht bezat. Mijns inziens heeft Jezus inderdaad de kruisiging overleefd, maar is zijn lichaam pas later door de Tempeliers naar Frankrijk gebracht. Niemand mocht in die tijd het Geheim weten. Het ondermijnde immers het gezag van de Kerk. Werd er iets gezegd dat niet op één lijn lag met de leer van de Kerk, dan werd men zwaar gestraft. Vandaar dat men zich stil hield, en wie toch iets zei belandde op de brandstapel. De Tempeliers weten hier alles van; het werd hun ondergang. Deze situatie heeft eigenlijk zeer lang geduurd. Pas in onze tijd is er meer openheid gekomen, wat bijvoorbeeld ook Pierre Plantard heeft doen besluiten om het Geheim beetje bij beetje bekend te maken. Dingen die voorheen als "ketters" werden beschouwd, kunnen tegenwoordig min of meer ongestraft worden gezegd. En soms worden die ook gezegd, maar altijd afgedaan als onwaar en sensatiebelust. "I only tell you what you want to know", hoorde ik mijn computer via Internet zeggen, toen ik op zoek was naar informatie over de Prieuré de Sion. Maar wellicht wordt het tijd om ook eens te zeggen wat we eigenlijk niet willen weten.

Nawoord.

Tijdens mijn onderzoek heb ik mij dikwijls afgevraagd of het wel waar was wat ik allemaal gevonden had. Zag ik dingen die er niet waren of was er werkelijk iets aan de hand? Met name tijdens de periode dat ik met het analyseren van de schilderijen bezig was, hield deze vraag mij bezig. Was het patroon nu echt aanwezig, of wílde ik dat de Blanchefort-geometrie er in zat? Liet ik mij, nuchter als ik ben, dan toch meeslepen in een van de vele speculatieve verhalen die het Mysterie met zich meebrengt? Maar vooral de ontdekking van de functie van de Dalle de Coume Sourde hield me op de been en dwong mij telkens weer om door te gaan. De samenhang van de dubbele patronen in de schilderijen gaf mij ook het gevoel op de goede weg te zitten. Er was te veel toeval om toevallig te kunnen zijn. Een van de zekerheden die ik nu heb is de positiebepaling van de "Geheime Plaats". Maar liefst vijf lijnen wijzen de weg hier naar toe. Ook aan het bestaan van de wapenschilden valt niet te twijfelen. Bovendien bevestigt de Talisman het belang van het patroon van de familie de Voisins. Dit zijn zoveel aanwijzingen, dat ik zonder meer durf te stellen dat er met die plek iets aan de hand is. De locatie van de "schat" staat daarom vast en ook is het voor mij zeker dat het Geheim te maken heeft met Christus, de Alpha en de Omega. Alleen - en hier moet ik toegeven dat er enige twijfel is in mijn stem - wat ís het Geheim? Ik heb weliswaar een oplossing gegeven, maar bewijzen hiervoor heb ik (nog) niet. Die kunnen alleen geleverd worden na uitgebreid archeologisch onderzoek. Dus wachten wij rustig op de vergunning om dit te mogen doen.

Jan Rijerse, 2001.

 

Bijlage.

 

1. Bronvermelding

     Het Mysterie van Rennes-le-Château.

  1. Het Heilige Bloed, de Heilige Graal (1982) - Henri Lincoln / M. Baignent / R. Leigh
  2. De Messiaanse Ervenis (1986) - Henri Lincoln / Michael Baignent / Richard Leigh
  3. Het Verborgen Heiligdom (1991) - Henri Lincoln
  4. De Tombe van God (1996) - Richard Andrews / Paul Schellenberger
  5. De Gewijde Vijfhoek (1997) - Henri Lincoln
  6. La Vraie Langue Celtique (1886) – Henri Boudet
  7. Clef du Royaume des Morts (1997) – Alain Feral
  8. Bérenger Saunière, Curé à Rennes-le-Château (1989) – Abbé Bruno de Monts
  9. Rennes-le-Château, guide du visiteur (1990) – Tatiana Kletzky-Pradere
  10. Rennes-le-Château, le Grand Héritage (1997) – Christian Doumergue
  11. Rennes-le-Château, le CD-ROM (1999)
  12. Genisis (1985) – David Wood
  13. Poussin’s Secret (1995) – David Wood
  14. Internet

De Katharen / de Graal.

  1. De Katharen (1972) – W.Martens
  2. De Godsdienst der Katharen (1990) – Michel Roquebert
  3. La Tragédie des Cathares (1998) – Claude Lebedel
  4. Les Cathares (1990) – Maurice Griffe
  5. Het Land der Katharen – Georges Serrus
  6. Montaillou (1975) – Emanuel Le Roy Ladurie
  7. De Schrijn van de Montségur (1987) – Walter Birks / R.Gilbert
  8. Op weg naar de Heilige Graal (1960) - Antoine Gadal
  9. De Heilige Graal (1994) – Malcolm Godwin
  10. De Werkelijkheid van de Graal (1995) – Graham Philips
  11. De Erfopvolgers van de Graal (1996) – Laurence Gardner
  12. Oorsprong van de Graalkoningen (1999) – Laurence Gardner

Geschiedenis / kunst.

  1. De Kruisvaarders (1976) – Johannes Lehman
  2. De Bijbel heeft toch gelijk (1955) – Werner Keller
  3. Gevangenen van de Inquisitie (1989) – Frédérick Max
  4. Le Château d’Arques (1988) – Lucien Bayrou
  5. The kings of France (1995) – Claude Wenzler
  6. Histoire Albigoise - Pierre des Vaux-de-Cernay
  7. Chanson de la Croisade - Guillaume de Tudèle
  8. L’Epopée Cathare (1970-1989) – Michel Roquebert
  9. Petit Voisins devenu grand (1981) – Eugène Fleuré
  10. Rennes-le-Château et ses premiers seigneurs – Louis-Alban Buzairies
  11. Nicolas Poussin (1994) – Pierre Rosenberg / Véronique Damian
  12. Het Lam Gods (1995) – Peter Schmidt

Religie / esoterie.

  1. Messiaanse Profetieën (1981) – Peter Lemesurier
  2. Mythen en Mysteriën (1994) – Roel Oostra / Graham Hancock / e.a.
  3. De Wachters van Eden (1993) – Johan von Butlar
  4. De profetieën van Nostra Damus (1977) - Alexander Centurio
  5. De Tempel en de Loge (1989) – Michael Baignent / Richard Leigh
  6. De Dode-Zeerollen (1991) - Michael Baignent / Richard Leigh
  7. De Dode-Zeerollen onthuld (1992) – Robert Eisenman / Michael Wise
  8. Het Jezus-komplot (1992) – Holger Kersten / Elmar Gruber
  9. Bijbel (1966) – Nederlandsch Bijbelgenootschap
  10. Catholica (1955) – A.M.Heidt
  11. Het Vaticaan (1986) – Peter Hebblethwaite
  12. De geheime macht van Opus Dei (1984) – Michael Walsh
  13. De Sleutel van Hiram (1996) – Christopher Knight / Robert Lomas
  14. De Rozenkruisers in Europa (1990) – Karl Heyer
  15. De Gnosis, het reddende inzicht (1958) – Serge Hutin
  16. History of magic and the supernatural (1961) – Maurice Bessy

Overig:

De Koninklijke Bibliotheek, Den Haag - Centre d'Archéologie Médievale du Languedoc, Carcassonne - Société d'Etude Historique et Archéologique de l'Yveline, Rambouillet - Institut Géographique National, Parijs - e.v.a.

2. De Albigenzische kruistochten.

De Albigenzische kruistocht tegen de Katharen is een zeer complexe oorlog geweest. Het gebied waar het zich afspeelde was verdeeld onder de graven van Toulouse (en zijn vazallen), het huis van Trenceval en de koningen van Aragon. Hoewel het Raymond V van Toulouse was die zich (in 1177) in een brief aan de Orde van Cîteaux zorgen maakte over de ketterse praktijken van de Katharen, hebben de graven van Toulouse veel sympathie voor hen gehad. De graven van Foix, vazallen van Toulouse, waren uitgesproken kathaars net zoals Trenceval, onder wiens gebieden ook de Razès viel. De koningen van het rijk Aragon, waarvan vele kastelen zoals Peyrepertuse en Quéribus de grens markeerden, waren aanvankelijk voor de kruisvaarders maar keerden zich later tegen hen. Toen in 1208 de pauselijke legaat Pierre de Castelnau in St.Gilles werd vermoord (waar overigens Raymond VI van werd verdacht), pakte paus Innocentius III dit aan om op te roepen tot een kruistocht tegen de Katharen. Omdat de Franse koning Filips II August verwikkeld was in een oorlog met Engeland (de eerste Honderdjarige Oorlog) peinsde hij er niet over om de leiding op zich te nemen. Dit werd daarop gedaan door Arnaud-Amaury, de abt van Cîteaux, die in 1209 met een leger - waaronder diverse baronnen uit de Yvelines zoals Simon de Montfort - naar het zuiden trok. De veroveringen gingen "voorspoedig", maar toen de veertig dagen om waren (de termijn die gold om vergeving van alle zonden te kunnen krijgen) gingen de "echte" kruisvaarders weer naar huis en bleef een groep rovers over. Op dat moment nam Simon de Montfort de leiding op zich en trok al plunderend door de Languedoc. Dit ging, met wisselend succes door het systeem van de 40 dagen, zo door tot de dood van Simon in 1218 tijdens het beleg van Toulouse. Zijn zoon Amaury kon het leiderschap niet aan en de kruisvaarders moesten toestaan dat er steeds meer gebieden heroverd werden. In 1226 beloot koning Lodewijk VIII tot een tweede kruistocht tegen de Katharen. Na een korte "rondreis" overleed hij eind van dat jaar. Zijn echtgenote, Blanche de Castille, sloot eind 1228 een verdrag met Raymond VII van Toulouse ("verdrag van Meaux"), waarbij het graafschap Toulouse sterk werd verzwakt en de Languedoc bij Frankrijk werd gevoegd. Het verdrag werd in 1229 door haar zoon Lodewijk IX de Heilige bekrachtigd in het "verdrag van Parijs", waardoor er min of meer een einde kwam aan de oorlog. Hoewel de oorlog was afgelopen, was het katharisme nog niet verslagen. In 1215 was de Orde der Dominicanen opgericht die in 1231 de taak op zich nam om de "ketters" te vervolgen. De val van de Montségur was in 1244 en het duurde tot 1255 voordat het laatste toevluchtsoord, Quéribus, was veroverd. De laatst bekende parfait, Guilhelm Bélibaste, werd in 1321 in het kasteel van Villerouge-Termenès verbrand.

Chronologisch overzicht.

1177  Raymond V de Toulouse bezorgd over de "ketterse" Katharen; 1208  Dood legaat Pierre de Castelnaud; 1209  Eerste Albigenzische kruistocht (Simon de Montfort); 1209  Slachting in Béziers, val van Carcassonne; 1210  Val van Minerve, Termes en Puivert; 1211  Val van Cabaret, Albi, Lavaur, Castelnaudary en La Pomarède; 1217  Val van Foix; 1218  Dood van Simon de Montfort; 1226 Tweede Albigenzische kruistocht (Lodewijk VIII); 1229  Verdrag van Parijs (Lodewijk IX); 1231  Oprichting van de Heilige Inquisitie; 1240  Val Peyrepertuse; 1242  Val Puilaurens; 1244  Val Montségur; 1255  Val Quéribus; 1271  Graafschap Toulouse bij Frankrijk; 1321  Laatste "parfait" Bélibaste verbrand in Villerouge-Termenès.

3. De familie de Voisins.

Pierre de Voisins komt in mijn verhaal naar voren als de grote man achter de overdracht van het Geheim. Hoewel hij niet in de geschiedenisboeken wordt vermeld, valt er veel over hem en zijn familie te vertellen. Terwijl ik in de toekomst meer over hem wil publiceren  - mijn onderzoek zich richt nu op hem en zijn nakomelingen -  is hier alvast een korte verhandeling over de oorsprong van zijn familie, de vertakkingen ervan, en een aantal "links" met het Mysterie van Rennes-le-Château en mijn verhaal.

Het geslacht De Voisins komt uit de Yvelines, een streek ten zuiden van Parijs. Hier ligt, op een paar kilometer afstand van Versailles, het plaatsje Voisin-le-Bretonneux. Dit dorp wordt voor het eerst vermeld in een document uit 768 van koning Pippijn de Korte, waarin het Ansberto Vicinio wordt genoemd. Het Latijnse woord "vicinius" ("buurman") is in het Frans "voisin". Het duurt tot 1118 (toevalligerwijs het jaar waarin de Orde der Tempeliers werd opgericht) voordat de naam Voisins weer opduikt, wanneer in een document Hugues de Voisins "Heer van Maule" wordt genoemd. Via ene Rodolphe de Voisins (± 1168) belanden we bij "onze" Pierre de Voisins, die in 1191 meeging met de derde kruistocht (een expeditie, waar ook Richard Leeuwenhart aan deelnam).

In de Yvelines ligt ook het plaatsje Montfort-Amaury, waar de bevriende familie de Montfort woonde. De bekendste van dit geslacht, Simon de Montfort, trok in 1209 ten strijde tegen de ketterse Katharen. Pierre de Voisins verscheen daar pas later op het toneel, ten tijde van het beleg van Toulouse, waarbij in 1218 Simon de Montfort sneuvelde. Pierre keerde daarna weer terug naar zijn geboortestreek, totdat hij in 1226 koning Lodewijk VIII volgde voor een nieuwe kruistocht. In 1229 maakte diens zoon Lodewijk XIX de Heilige met het "Verdrag van Parijs" een einde aan de oorlog en voegde de Languedoc toe aan Frankrijk. Als dank voor zijn diensten volgde Pierre de Voisins in 1231 Lambert de Thurey (Lambert de Limoux) op als "Heer van Limoux". Daardoor kreeg hij zeggenschap over gebieden waar niet alleen Limoux toe behoorde, maar ook Belcastel, Couffoulens, Rennes-les-Château, Rennes-les-Bains, Sougraigne, Montferrand, Arques en ... Blanchefort. Hij trouwde met Manhaut, de dochter van Lambert, en bleef voorgoed in het gebied wonen. Zijn kinderen bewoonden later de kastelen van Rennes-le-Château, Arques en Couffoulens. Pierre moet tussen 1252 en 1268 zijn gestorven. Hoewel hij vele titels had, zoals "Sénéchal" van Toulouse en Carcassonne, is er geen enkele afbeelding van hem bekend en weet niemand wanneer en waar hij is begraven.

In het paleis van Versailles is een wapenschild te bezichtigen met de prachtige naam van "Lysander de Gelas de Voisins d'Ambres-Lautrec". De naam van deze heer geeft al aan dat de familie zich in de loop der eeuwen enorm vertakt heeft. Onder hen zijn o.a.: De baronnen van Ambres, Montaut en Blagnac, de graven van Lautrec en Gelas, de heren van Arques, Joyeuse, Pezens, Couffoulens en Moussoulens, de markiezen van Alzau en Brugairolles. In deel 5 heb ik al het leven besproken van Pierre II en Gilles I, de zonen van Pierre (I) de Voisins. Van zijn zoon Guillaume I is veel documentatie bewaard gebleven. Een paar takken zijn van belang in verband met ons verhaal.

In 1295 ruilde Guillaume I de streek van Limoux voor die van Pezens met koning Philips de Schone. Een jaar later verhuisde hij vanuit Couffoulens hier naar toe. Via zijn zoon Blaise bleef de familie lang in de omgeving wonen, met name in het kasteel Alzau, waar zich nu nog het familiearchief bevindt. Onder koning Lodewijk XIV werd de naam Pezens gewijzigd in "Voisins". Het dorp bleef zo heten (met uitzondering van de periode 1790-1814, waarin het weer de oude naam had) tot het jaar 1831. Van 1296 tot 1774 werden alle leden van de familie de Voisins begraven in de kerk van Pezens en na die tijd op het plaatselijke kerkhof. In 1785 trouwde Marie-Thérèse de Voisins met Antoine Paul Joseph de Pins, waardoor de naam de Voisins in Pezens verdween. Het graf van Antoine de Pins is nog altijd te bezichtigen. De laatste afstammelinge van de tak van Pezens heeft de welluidende naam van Marthe Jeanne de Bruyère de Châtel de Chalabre de Joyeuse.

Via Guillaume II (de zoon van Guillaume I) verbleef de familie lange tijd in Couffoulens, een dorp even ten zuiden van Carcassonne. Via diens zoon Jean en later diens kleinzoon Jean de Voisins werd de tak Voisins d'Ambres gesticht. Een tak die meestal wordt genoemd in de kronieken, en die zich vestigde in de buurt van Toulouse. Door een huwelijk van Ambroise de Voisins gingen in 1588 de bezittingen over in het huis van Gelas, dat later een verbinding kreeg met het huis van Lautrec. Lautrec ging op zijn beurt weer een verbintenis aan met het huis van Toulouse, de afstammelingen van de graven van Toulouse, bekend uit de Albigenzische kruistochten. Op deze wijze ontstond het geslacht Tousouse-Lautrec.

Een ander dorp dat vlak bij Couffoulens ligt, tussen Limoux en Carcassonne, is Pomas. Straatnaambordjes verraden nu nog dat de familie de Voisins daar gewoond heeft. In 1599 trouwde Bernard de Voisins, heer van Pezens, met Peyronne de Rabot. Doordat zij kinderloos bleven gingen de bezittingen over op het huis Rabot, dat vanaf die tijd de naam en het wapenschild van de Voisins aannam.

Een tak die zeer lang heeft bestaan is rond 1320 ontstaan uit een huwelijk van de dochter van Guillaume I, Madeleine, met Jacques de Gilbert. De familie Gilbert de Voisins heeft zich gevestigd in de Yvelines, met name in Voisins-le-Bretonneux, en hun spoor is tot 1936 te volgen. In dat jaar overlijdt graaf Auguste Gilbert de Voisins, schrijver van "Le Festin de l'Araignée" en van "Le Bar de la Fourche", een roman over goudzoekers. Hoewel de laatstgenoemde graaf kinderloos stierf, zijn de vertakkingen vanaf Madeleine de Voisins enorm, en zijn er vast nog wel familieleden te vinden.

Links met het Verhaal.

Hoewel ik mij zo weinig mogelijk aan speculaties overgeef, zijn er een paar dingen die mogelijk op een verband wijzen. Hierboven heeft u kunnen lezen dat een van de laatst bekende telgen een paar boeken heeft geschreven die, afgaande op de titels, naar ons Verhaal zou kunnen verwijzen. Het ene boek van genoemde Auguste Gilbert de Voisins heeft als titel "Le Festin de  l'Araignée". Ook op het graf van Marie de Negri is een spin afgebeeld. Volgens sommigen zou het Franse woord "araignée" ("spin") wellicht  "[il] a raigné" ("hij heeft geheerst") kunnen betekenen. In dit verband is het opvallend dat Emile Hoffet, destijds bezocht door Saunière in Parijs, een blad heeft uitgegeven waarvan de titel "Regnabit" ("hij zal heersen") van hetzelfde Latijnese woord afkomstig is. Het andere boek van Auguste is "Le Bar de la Fourche", dat een roman is over goudzoekers. Frappant, maar meer kan ik er niet over zeggen. Een link?

Een vriend van occultist Emile Hoffet was Claude Debussy, wiens naam voorkomt op de lijst van Grootmeesters van de Prieuré de Sion. Onder hun kennissenkring was niet alleen de vriendin van Saunière, operazangeres Emma Calvé, maar ook Maurice Maeterlinck, de schrijver van van het Merovingische dramastuk "Pelléas en Mélisande". Van dit drama heeft Debussy begin 20e eeuw een wereldberoemde opera gemaakt. De première van dit stuk werd gehouden in het gehucht Magny. Dit dorp is momenteel de zusterstad van Voisins-le-Bretonneux, terwijl ze tot de 15e eeuw één geheel met elkaar hebben gevormd. Heeft Debussy deze locatie bewust gekozen als een soort eerbetoon aan de familie de Voisins?

Een ander verhaal speelt zich af op een plek in de buitenwijken van Voisins-le-Bretonneux. Hier is een helling met de mooie naam "La Côte de l'Ave Maria". Deze naam geeft al iets bijzonders ("de Helling van de A... M..."), maar de oude naam is nog frappanter: "La Côte du Trésor" ("de Helling van de Schat"). Over deze locatie gaat de volgende legende. Vroeger werd deze plek bewoond door de Duivel. Hij bewaakte daar, volgens de bewoners van Voisins, een enorme schat. Maar niemand durfde daar 's nachts te komen. Overdag wel, want dan had Satan geen macht genoeg. Maar hoe de mensen ook zochten, ze konden de schat niet vinden. Op een dag besloot men om Satan te verdrijven. In een lange processie gingen de dorpelingen onder het luiden van de klokken naar de helling. De Duivel sloeg op de vlucht en is nooit meer teruggekeerd. Maar voordat Satan er vandoor ging, zag hij kans om de schat zo goed te verbergen dat hij tot op de dag van vandaag nog steeds niet is gevonden...

Net buiten Limoux is een prachtige kerk, de Notre Dame de Marseille. Het meest opvallende gedeelte van deze kerk is een zijkapel met de naam "Ave Maria". Hoewel deze naam natuurlijk vaak wordt gebruikt is het wel frappant dat de kapel dezelfde naam heeft als de helling in bovenstaand verhaal. De A en de M zijn in de kapel nadrukkelijk aanwezig. Maar niet verwijzend naar "Ave Maria", maar naar het Kerken-patroon. Eén afbeelding geeft het AM-teken, zoals op de "dobbelsteen" van Alain Feral. Een andere afbeelding geeft het patroon, vergelijkbaar met het wapenschild van Arques. Het is hierbij opvallend dat de zijkanten enigszins schuin staan, net als bij het patroon op de landkaart...

De laatste "link" die ik beschrijf is die van de bekende schilder Henri Toulouse-Lautrec. In Bijlage 2 kunt u in grote lijnen volgen hoe het huis van Toulouse-Lautrec voortgekomen is uit de nakomelingen van Pierre de Voisins. De vader van Henri heeft de schilder genoemd naar de graaf van Chambord die, zoals eerder gezegd in Deel 1, aanspraak maakte op de troon van Frankrijk en geregeerd zou hebben als Henri V. De cirkel met ons Verhaal is rond omdat de echtgenote van de graaf een paar jaar na diens dood een schenking deed aan Bérenger Saunière, zodat deze pastoor in staat was om de nodige reparaties te doen aan zijn kerk. Zoals u weet zijn daarbij de documenten gevonden...

4. De overdracht van het geheim.

Hieronder staan een aantal gebeurtenissen in het verleden, vanaf de geboorte van Christus, die met het Verhaal direkt in verband staan. (De jaartallen met een * zijn niet exact te bepalen.)

70  Verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen (onder Keizer Titus); 400  Germaanse Volksverhuizing, de Sicambriërs vestigen zich in de Ardennen; 410  Plundering van Rome door de Visigoten (onder Alarik); 447   Merovech wordt koning der Franken; 507 Visigoten door de Merovingen verslagen (onder Clovis I); 681  Sigebert IV, zoon van Dagobert II, terug in Rennes-le-Château; 751  Karolingen nemen de macht over (onder Pippijn de Korte); 900*  Ontstaan Katharisme; 1096  Eerste kruistocht; 1099  Oprichting Orde van Sion; 1118  Oprichting Orde der Tempeliers; 1127  Terugkeer kruisvaarders naar Frankrijk; 1150*  Bouw Kerken-patroon; 1153  Bertrand de Blanchefort 4e Grootmeester der Tempeliers; 1188  Oprichting Prieuré de Sion; 1190  Ontstaan Graallegenden; 1200*  Monniken St.Bertin maken Kaart Jeruzalem; 1208  Albigenzische kruistocht; 1210  De Razès wordt veroverd door Simon de Montfort; 1231  Pierre de Voisins krijgt Blanchefort en omgeving; 1244  Val Montségur; 1280  Gilles I de Voisins start bouw donjon van Arques; 1307  Arrestatie van alle Tempeliers; 1321  Guilhelm Bélibaste, de laatste kathaarse parfait, wordt verbrand; 1340*  Start bouw kasteel van Serres (door de fam. de Voisins); 1350  Kerken-patroon wordt familiewapen de Voisins; 1429  Jan en Hubert van Eijck maken "Het Lam Gods"; 1436  Jan van Eijck maakt "Madonna met Kanunnik Van der Paele"; 1457  René d'Anjou schrijft "Le Cuer d'amours espris"; 1550*  Bouw huidige vorm kasteel van Serres (door de fam. de Voisins); 1640  Nicolas Poussin maakt "Les Bergers d'Arcadie"; 1650*  Opkomst Rozekruizersbeweging; 1660*  David Teniers de Jonge maakt "St.Antonius en St.Paulus"; 1680*  Anonieme schilder maakt "De Kroning van Celestinus V"; 1696  Kerken-patroon wordt wapenschild van Arques; 1750*  Esoterische kunstverzameling Shugborough Hall; 1780  Antoine Bigou maakt documenten en grafstenen Marie de Negri; 1789  Uitbreken Franse Revolutie; 1885  Bérenger Saunière wordt pastoor van Rennes-le-Château; 1886  Henri Boudet schrijft "La Vraie Langue Celtique"; 1917  Bérenger Saunière overlijdt; 1953  Marie Dénarnaud overlijdt; 1956  Noël Corbu publiceert het Verhaal in "La Dépêche du Midi"; 1968  Gérard de Sède schrijft "Le Trésor Maudit"; 1997  Alain Feral schrijft "Clef du Royaume des Morts"

De Grootmeesters van de Prieuré de Sion.

Volgens een pamflet, gedeponeerd in de Bibliothèque National in Parijs, zijn de volgende personen Grootmeester geweest: 1188 – 1220  Jean de Gisors; 1220 – 1266  Marie de Saint-Clair; 1266 – 1307  Guillaume de Gisors; 1307 – 1336  Edouard de Bar; 1336 – 1351  Jeanne de Bar; 1351 – 1366  Jean de Saint-Clair; 1366 – 1398  Blanche d’Evreux; 1398 – 1418  Nicolas Flamel; 1418 – 1480  René d’Anjou; 1480 – 1483  Jolande de Bar; 1483 – 1510  Sandro Filipepi; 1510 – 1519  Leonardo da Vinci; 1519 – 1527  Connétable de Bourbon; 1527 – 1575  Ferdinand de Gonzague; 1575 – 1595  Louis de Nevers; 1595 – 1637  Robert Fludd; 1637 – 1654  Johan Valentin Andreae; 1654 – 1691  Robert Boyle; 1691 – 1727  Isaac Newton; 1727 – 1746  Charles Radclyffe; 1746 – 1780  Karel van Lotharingen; 1780 – 1801  Maximiliaan van Lotharingen; 1801 – 1844  Charles Nodier; 1844 – 1885  Victor Hugo; 1885 – 1918  Claude Debussy; 1918 –   ...    Jean Cocteau

Tot zover de lijst in de "dossiers secrets". Deze geheime dossiers moeten gedeponeerd zijn ten tijde van het Grootmeesterschap van Jean Cocteau, want deze overleed in 1963. Daarna schijnt er een driemanschap geweest te zijn, bestaande uit Pierre Plantard, Gaylord Freeman en Antonio Merzagora. Vanaf 17 januari (!) 1981 tot 10 juli 1984 was Plantard als enige de Grootmeester. Hij overleed september 2000. Wie de functie momenteel vervult is niet bekend.

Het onderlinge verband der documenten.

Om de samenhang van het kleine en het grote document aan te kunnen tonen, is het eerst nodig om te bepalen hoe de teksten op het perkament hadden gestaan. In vier stappen toon ik aan hoe het verband gevonden kan worden.

Stap 1.
Op het eerste, kleine document gebruikte ik het vreemde driehoekje links boven en de drie kruisjes als oriëntatiepunten. Ik tekende 5 lijnen: Lijn 1 gaat langs de bovenkant van het driehoekje en door het kruisje van regel 4. Lijn 2 gaat door de linker bovenhoek en door het kruisje van regel 10. Lijn 3 gaat langs de rechter zijkant van het driehoekje. Lijn 4 gaat vanaf het uiteinde van deze zijkant en door het kruisje van regel 7. Lijn 5 loopt evenwijdig hieraan en gaat door "mi" (bij het driehoekje).

Stap 2.
Op het tweede, grote document tekende ik 4 lijnen. Ik hield het document ondersteboven, zodat het woord "SION" en de letters "A" en "N" goed stonden. Lijn 1 verbindt de middelpunten van de tekens boven en onder de tekst. Lijn 2 gaat langs de rechterkant van de "A" en langs de "N" (van "SION"). Lijn 3 gaat langs de linkerkant van de "A". Lijn 4 gaat door de top van de "A", langs de "N" daaronder en loopt evenwijdig aan lijn 1. De lijnen 1 en 4 lopen verticaal over de tekst.

Stap 3.
Om nu de samenhang van beide documenten te bekijken, legde ik de transparanten met beide lijnenstelsels over elkaar heen. De lijnen 2 en 3 van het eerste document bleken samen te vallen met de lijnen langs de "A" van het tweede document ! (Ik heb deze lijnen dezelfde nummers gegeven.) Na het kleine document omgedraaid te hebben (omdat deze op de àndere kant van het perkament stond), constateerde ik dat lijn 1 naar het middelpunt van het bovenste teken liep en lijn 4 naar het middelpunt van het onderste teken. Om te bekijken hoe de teksten nu over elkaar heen kwamen te liggen gebruikte ik transparanten met de teksten. Helaas kwamen ze niet zo mooi over elkaar heen te liggen. Het leek mij waarschijnlijker dat de maker dit wél had laten doen. Ik ging dus verder zoeken.

Stap 4.
Ik besloot om het eerste document te gaan draaien met de top van de "A" als vast punt. Ik draaide net zolang totdat lijn 3 door het midden ging van het bovenste teken. Lijn 2 gaat in dat geval langs de "A" en de "N" en de lijnen 4 en 5 lopen horizontaal. Deze horizontale lijnen geven samen met de lijn door de tekens (boven en onder de tekst) de richting aan van de meridiaan en de parallel. De juistheid van bovenstaande stappen werd bevestigd door het feit dat de teksten nu wel mooi over elkaar heen lagen.

De overdracht van het Geheim.

Dank zij de ontdekking van het "Kerken-patroon" is het mogelijk om aan te tonen dat het "Mysterie van Rennes-le-Château" en het "Geheim van Blanchefort" dezelfde basis hebben: de Geheime Plaats op de berg Cardou. Hieronder het spoor van begin tot eind:

Bouw Kerken-patroon (12e eeuw) - Pierre de Voisins krijgt Blanchefort en omgeving (1231) - Gilles I bouwt Blanchefort-geometrie (1280) - Familie de Voisins neemt Kerken-patroon als familiewapen aan (1350) - Laatste telg de Voisins trouwt met de heer Marquefave (1400) - Hun dochter trouwt met baron Pierre-Raymond d'Hautpoul (1422) - Baron Henri d'Hautpoul neemt de titel "Heer van Blanchefort" aan (1680) - De laatste "Heer van Blanchefort" overlijdt (1732) - Zijn echtgenote is Marie de Negri d'Ables, Dame d'Hautpoul de Blanchefort - Marie de Negri overlijdt en geeft het Geheim door aan pastoor Antoine Bigou (1781) - Antoine Bigou maakt de grafstenen en de documenten (1781), verstopt de documenten, vlucht naar Spanje (1789) en geeft het Geheim door aan pastoor Cauneille (1794) - Pastoor Cauneille geeft het Geheim door aan Jean Vié en Emile François Cayron, de latere pastoors van Rennes-les-Bains en St.Laurent de la Cabrerisse (1840) - Pastoor Cayron leidt Henri Boudet op in Quillan - Henri Boudet volgt Jean Vié op als pastoor van Rennes-les-Bains (1872) - Bérenger Saunière wordt pastoor van Rennes-le-Château (1885), raakt bevriend met Boudet en vindt documenten (1891) - Saunière overlijdt en huishoudster Marie Denarnaud bewaakt het Geheim (1917) - Marie Denarnaud overlijdt en neemt het Geheim mee in haar graf (1953) - Het Geheim van Blanchefort eindigt - Het Mysterie van Rennes-le-Château begint - Noël Corbu beschrijft het Mysterie in "La Dépêche du Midi" (1956) - Gérard de Sède beschrijft het Mysterie in "Le Trésor Maudit" (1968) - Henri Lincoln schrijft "Het Heilige Bloed, de Heilige Graal" (1982) - Nederlanse vertaling bij Tiron (1989) - Vanaf 1989 volg ik zelf het Mysterie - In 1998 ontdekte ik de "Blanchefort-geometrie" - In 1999 ontdekte ik het "Kerken-patroon" - In 2000 voltooide ik mijn manuscript "Het Geheim van Blanchefort" - In 2001 voltooide ik de CD-rom "Het Geheim van Blanchefort".

5. Wiskunde: Kerken op gelijke afstanden.

In het gebied rond Rennes-le-Château staan opmerkelijk veel kerken op dezelfde afstand van elkaar. Voor het opmeten van deze afstanden kan het beste de TOP 25 kaart van het I.G.N. (2347 OT Quillan) gebruikt worden, die een schaal heeft van 1:25000. Op deze kaart wordt een kerk weergegeven door een rondje met een kruisje. Het snijpunt van dit kruisje met het rondje heeft geen exacte functie. Soms geeft het aan waar de absis is, oftewel de ronde uitbouw waarvoor het altaar staat (bv. bij Rennes-les-Bains, Coustaussa, Serres, Cassaignes en Arques). Maar soms staat het kruisje juist aan de andere kant (bv. bij Rennes-le-Château, Espéraza en Peyrolles). De reden voor deze verschillen zijn mij niet helemaal duidelijk. Als je de kaart bekijkt zijn er ook geen druktechnische redenen. Het rondje op de kaart heeft een middellijn van 1 millimeter. In werkelijkheid is dit dus een afstand van 25 meter. De hieronder genoemde afstanden zijn gemeten van het middelpunt van het ene rondje naar het middelpunt van het andere (behalve bij de Châteaux*). Een kerk is toch al gauw 25 meter lang. Bij het opmeten is een verschil van 1 mm dus niet veel en kan zelfs juist zijn, indien de afstand gemeten moet worden van het ene altaar naar het andere. Beoordeelt (of meet) u zelf. Om de verschillen klein te houden heb ik de afstanden verdeeld in drie groepen (De afstand, gemeten vanaf de kastelen met een * is moeilijker te bepalen, aangezien het ruïnes zijn en er geen vastgesteld punt op de kaart is zoals bijvoorbeeld een donjon):

Groep 1: ± 18,3 centimeter (± 4575 meter)
  Montazels - Campagne sur Aude  (18,2); Rouvenac - La Serpent  (18,2); Château Montferrand* - Arques   (18,25); Antugnac - Campagne sur Aude  (18,3); Peyrolles - Rennes-les-Bains  (18,35); St.Ferriol - Cavirac  (18,35); Sougraigne - Château le Bézu*  (18,4); Coustaussa - Château Montferrand*  (18,4); St.Just - Laval  (18,4); Terrolles - Serres  (18,45)

Groep 2: ± 18,6 centimeter (± 4650 meter)
  Antugnac - Roquetaillade  (18,5); Arques - Terrole   (18,55); Serres - Luc sur Aude  (18,55); Espéraza - Coustaussa  (18,6); Espéraza - Granes  (18,65); Espéraza - St.Ferriol  (18,65); Espéraza - Les Sauzils  (18,7); St.Salvaires - Terroles  (18,65); Bouriège - Croux  (18,7); Rennes-les-Bains – Château Rennes-le-Château  (18,7); Château Castillou* - Tombe Poussin  (18,7); La Serpent - Bourigeole  (18,75); La Serpent - St.André  (18,8); Véraza - Tombe Poussin  (18,9)

Groep 3: ± 19 centimeter (± 4750 meter)
  Rennes-le-Château - Rennes-les-Bains   (19); Rennes-le-Château - Campagne sur Aude   (19); Rennes-le-Château - Le Bézu  (19); Château Blanchefort* - Couiza   (19); Terrolles - Château Castillou*   (19); Les Sauzils - St.Ferriol  (19,15); Arques - Peyrolles  (19,15); Espéraza - Luc sur Aude  (19,2)

Ongetwijfeld zullen er nog veel meer gelijke afstanden gevonden kunnen worden. Alle kerken en kastelen bevinden zich overigens binnen een straal van ongeveer 10 kilometer van Rennes-le-Château !!

Kruisvormige constructies.

In het gebied rond Rennes-le-Château zijn een aantal kruisvormige constructies te vinden. Zo maakt de verbindingslijn van de kerken van Coustaussa en Luc-sur-Aude een perfecte hoek van 90° met de verbindingslijn van de kerk van Peyrolles met het kasteel in Couiza (om precies te zijn: met de zuidelijke toren van het Château des Ducs de Joyeuse). Het snijpunt is exact in het midden van "Coustaussa - Luc", waardoor een mooi kruis ontstaat.

Een ander voorbeeld is mijn ontdekking van twee kerken-kruisen die beiden nagenoeg dezelfde verhouding hebben in hun lengte en breedte: de verbindingslijn van de kerken van Antugnac en Bouriège maakt een perfecte hoek van 90° met de verbindingslijn van de kerken van La Serpent en Conilhac-de-la-Montagne. Het snijpunt is exact in het midden van de laatstgenoemde lijn! Op deze plek staan, op de top van een heuvel, de resten van een molen. De afmetingen van het kruis zijn respectievelijk 23,5 cm (5875 m) en 6,3 cm (1575 m).

Ook de verbindingslijn van de kerken van Espéraza en St.Julia-de Bec maakt een perfecte hoek van 90° met de verbindingslijn van de kerken van Granes en St.Ferriol. Ook hier wordt de laatstgenoemde lijn exact doormidden gedeeld! De afmetingen zijn respectievelijk 29,9 cm (7475 m) en 8 cm (2000m). Hoewel de uiterste kerken (van Bouriège en St.Julia) ruim 14 kilometer uit elkaar liggen, hebben beide kruisen een geometrisch verband. De verhouding lengte : breedte is bij beide kruisen 3,73 (indien de afstand La Serpent-Conilhac 6,37 cm is i.p.v. 6,30). Ook de plaats van het snijpunt (S) van de lijnen is bij beide kruisen (nagenoeg) gelijk: Antugnac – S = 14,4 cm / Bouriège – S = 9,1 cm  » 9,1 : 14,4 = 0,631; Espéraza – S = 18,25 cm / St.Julia – S = 11,65 cm  » 11,65 : 18,25 = 0,638. De functie van de gelijke verhoudingen van deze twee kerken-kruisen is mij (nog) niet bekend.

De positie van de Tombe Poussin.

De tombe bij Les Pontils, die in 1640 door Nicolas Poussin is geschilderd op "Les Bergers d'Arcadie" staat op het snijpunt van twee lijnen. 1: De lijn van de donjon van Arques naar de kerk van Cassaignes. 2: De loodlijn op Peyrolles-Arques vanuit het midden van Blanchefort-Arques. Door deze twee lijnen "past" de positie niet alleen in de Blanchefort-geometrie, maar verwijst hij ook naar het oudere Kerken-patroon.

Afstanden van de Blanchefort-geometrie.

Uitgaande van een gemeten afstand tussen de kerk van Peyrolles en de donjon van Arques van 16,85 centimeter op de kaart, zijn de afstanden als volgt (tussen haakjes de afstand in werkelijkheid in kilometers): Peyrolles - Arques: 16,85 (4,21); Peyrolles - Blanchefort: 9,73 (2,43); Blanchefort - Arques: 19,46 (4,86); Blanchefort - Serres: 5,62 (1,40); Cassaignes - Blanchefort: 5,62 (1,40); Cassaignes - Serres: 7,94 (1,98); Peyrolles - Punt X: 11,92 (2,98); Arques - Punt X: 17,94 (4,48); Blanchefort - Punt X: 3,56 (0,89); Cassaignes - Punt X: 9,18 (2,29); Serres - Punt X: 6,65 (1,66); Punt X - Nulmeridiaan: 5,50 (1,38); Midden PS - Nulmeridiaan: 5,60 (1,40); Rennes-les-B. - Nulmeridiaan: 5,60 (1,40). Uit de gegevens blijkt dat de meridiaan die door het midden van Peyrolles-Serres gaat, Punt X op een afstand van 20 meter passeert.

Hier volgen de diverse berekeningen (P = Peyrolles, B = Blanchefort, A = Arques, S = Serres, X = Punt X) :

Peyrolles - Punt X: Driehoek PBX. Voor de berekening is het nodig om de hulplijn BB' te tekenen. Deze staat loodrecht op PX. Gegevens: PB = 9,73 cm ; Hoek BPX = 15° ; Hoek BXP = 45°. Berekening:  BB' : PB = sin 45°  »  BB' = 0,258819 x 9,73 = 2,5183 ; PB' : PB = cos 15°  »  PB' = 0,965925 x 9,73 = 9,3984 ; BB' : XB' = tan 45° = 1  »  XB' = 2,5183 ; PX = PB' + XB' = 9,3984 + 2,5183 = 11,9167 cm.

Arques - Punt X:
Driehoek PAX. Om de afstand AX te berekenen is het eerst nodig om de hoek PAX te berekenen. XX' is een loodlijn op PA. Gegevens: Hoek APX = 75° ; PA = 16,85 cm ; PX = 11,92 cm. Berekening:  XX' : PX = sin 75°  »  XX' = 0,965925 x 11,92 = 11,5138 ; PX' : PX = cos 75°  »  PX' = 0,258819 x 11,92 = 3,0851 ; AX' = PA - PX' = 16,85 - 3,0851 = 13,7649 ; XX' : AX' - tan hoek PAX = 11,5138 : 13,7649 = 0,836460   »  Hoek PAX = 39,91° » De hoek van de lijn Arques - Punt X op de meridiaan: 180° - 80° - 39,91° = 60,09°. Arques - Punt X:  XX' : AX = sin 39,91° ; AX = 11,5138 : 0,641583  »  AX = 17,9459 cm.

Blanchefort - Punt X
: Driehoek PBX. Voor de berekening is het nodig om de hulplijn BB' te tekenen. Deze staat loodrecht op PX. Gegevens: PB = 9,73 cm ; Hoek BPX = 15° ; Hoek BXP = 45°. Berekening:  BB' : PB = sin 45°  »  BB' = 0,258819 x 9,73 = 2,5183 ; BB' : BX = sin 45°  »  BX = 2,5183 : 0,0707106 = 3,5614 cm.

Serres - Punt X:
Driehoek BSX. Gegevens: Hoek SBX = 90° ; BS = 5,62 cm ; BX = 3,56 cm. Berekening: SX² = BS² + BX² ; SX² = 31,5844 + 12,6736 = 44,258 ; SX = 6,6526 cm.

De hoeken van de Blanchefort-geometrie.

De hoeken t.o.v. de Nulmeridiaan van Parijs zijn berekend, uitgaande van een gemeten hoek van 80° van de lijn Peyrolles-Arques. Peyrolles-Arques (PA): 80°; Cassaignes-Blanchefort (CX): 50°; Blanchefort-Punt X (BX): 50°. De hoeken t.o.v. de parallel zijn: Peyrolles-Blanchefort (PB): 80°; Peyrolles-Serres (PS): 70°; Peyrolles-Punt X (PX): 85°; Peyrolles-midden BA (PD): 40°; Cassaignes-Blanchefort (CX): 40°; Blanchefort-Punt X (BX): 40°; Midden PS - Punt X (MX): 89,5°.

De hoeken vanuit Arques.

T.o.v. de meridiaan: Arques - Peyrolles (AP): 80°; Arques - midden PS (AM): 88,95°; Arques - Serres (AS): 80,88°; Arques - Blanchefort (AB): 70°; Arques - Punt X (AX): 60,09°. T.o.v. de parallel is deze laatste hoek 29,91°. Uit bovenstaand schema blijkt dat de hoek vanuit Arques naar de Geheime Plaats, zoals aangegeven op het graf van Marie de Negri, niet 60° maar 60,09° is. Deze afwijking is zeer gering: de Geheime Plaats zou hierdoor slechts 6 meter meer naar het noorden komen te liggen.

Hier volgen de diverse berekeningen:

Hoek Arques - "midden PS" op de meridiaan: Driehoek PAM. Voor de berekening is het nodig om eerst de hoek PAM te berekenen. MM' is een loodlijn op PA. Gegevens: PA = 16,58 ; PS = 1/3 PA = 5,62 ; PM = 1/2 PS = 2,81 ;PM = 1/6 PA = 2,81 ; PM' = 1/2 PM = 1,40 ; AM' = PA - PM' = 15,45. MM' : PM = sin 60°  »  MM' = 0,866025 x 2,81 = 2,4335 ; MM' : AM' = tan hoek PAM = 2,4335 : 15,45 = 0,1575  »   Hoek PAM = 8,95°. Hoek (A-M): 180° - 80° - 8,95° = 91,05°  (of 88,95°).

Hoek Arques - Serres op meridiaan:
Driehoek PAS. Voor de berekening is het nodig om eerst de hoek PAS te berekenen. SS' is een loodlijn op PA. Gegevens: PA = 16,85 ; PS = 5,62 ; PS' = 2,81 ; AS' = 14,04. SS' : PS = sin 60°  »  SS' = 0,866025 x 5,62 = 4,8670 ; SS' : AS' = tan hoek PAS = 4,8670 : 14,04 = 0,3466  »  hoek PAS = 19,12°. Hoek (A-S): 180° - 80° - 19,12° = 80,88°.

Hoek "Roze Lijn" op parallel:
Driehoek PMX. MM’ is een loodlijn op PX. Gegevens: PM = 2,81 cm ; PX = 11,92 cm ; Hoek MPX = 15°. MM’: PM = sin 15° » MM’= 0,258819 x 2,81 = 0,7272 ; PM’ : PM = cos 15° » PM’ = 0,965925 x 2,81 = 2,7142 ; XM’ = PX – PM’ = 11,92 – 2,7142 = 9,2058 ; MM’ : XM’ = tan Hoek PXM = 0,7272 : 9,2058 = 0,078993 » Hoek PXM = 4,5165°. In driehoek BXM geldt: Hoek BXM = Hoek PXM + Hoek PXB = 4,5° + 45° = 49,5°. In de driehoek, gevormd door het verlengde van PX, het verlengde van BX en de parallel geldt: Hoek van het verlengde van BX op de parallel = 40° ; Hoek "Roze Lijn" = 180° - 49,5° - 40° = 90,5° (of 89,5°).

De schilderijen.

Poussin heeft volgens mijn analyses een dubbele "Blanchefort-geometrie" gebruikt als basis voor zijn schilderij. In de tekening hieronder staan de belangrijkste lijnen die de afmeting van het schilderij bepalen.

AA' is de gemeenschappelijke lijn door Punt X vanuit Arques. Het is de lijn die ook aangegeven wordt door het graf van Marie de Negri. P = Peyrolles (midden onder) / P' = Peyrolles (midden boven). A= Arques (links onder) / A' = Arques (rechts boven) / A'' = Arques rechts onder. H = de hoek links onder / H' = de hoek rechts boven.

Volgens de opgave van het Louvre is de afmeting van het schilderij 85 x 121 centimeter. De "verhoogde" versie heeft de volgende afmeting: Hoek HPA = 90° - 80° = 10°; AH : PH = tan 10°  »  AH = 0,716326 x 60,5 = 10,6677 cm; A'H' = AH = 10,6677 cm; Hoek A''AA' = 39.91° - 10° = 29,91°; AA'' = 121 cm; A'A'' : AA'' = tan 29,91°  »  A'A'' = 0,575257 x 121 = 69,6060 cm; De totale hoogte = AH + A'A'' + A'H' = 90,9414 centimeter.

Volgens mij is de verhouding van het schilderij 3 : 4 (hoogte : breedte). Dat houdt in voor de hoogte: 3/4 x 121 = 90,75 centimeter (een verschil met bovenstaande berekening van nog geen 2 milimeter). Stel dat de hoogte 90,75 cm is en AH en A'H' beiden 10,6677 cm, dan geldt: A'A'' = 90,75 - 21,3354 = 69,4146; A'A'' : AA'' = tan hoek A''AA'  »  69,4146 : 121 = 0,573674  »  hoek A''AA' = 29,8417°. Een eerdere berekening gaf aan dat deze hoek 29,91° moet zijn. Dit is een afwijking van 0,07°. Beide afwijkingen (2 mm en 0,07°) zijn zo gering dat gesteld kan worden dat het "oorspronkelijke" schilderij zich verhoudt als 3 : 4.

"De Aanbidding van het Lam" van Jan van Eijck.

"De Rechtvaardige Rechters". Afmeting: 51 x 145 centimeter; Tan hoek = 145 : 51 = 2,843137 » De hoek is 70,62°. "De Soldaten van Christus". Afmeting: 54 x 149,2 centimeter; Tan hoek = 149,2 : 54 = 2,762929 » De hoek is 70,10°. "De Heilige Kluizenaars". Afmeting: 53,9 x 148,6 centimeter; Tan hoek = 148,6 : 53,9 = 2,756957 » De hoek is 70,06°. "De Heilige Pelgrims". Afmeting: 54,2 x 148,7 centimeter; Tan hoek = 148,7 : 54,2 = 2,743542 » De hoek is 69,97°. Conclusie: De afwijkingen zijn zo gering, dat gesteld kan worden dat de door van Eijck gebruikte hoek 70° moet zijn. Het paneel dat de "grootste" afwijking vertoont (0,62°), is het paneel dat een kopie is.

Volgens mijn analyse staat de diagonaal van het centrale paneel onder een hoek van 30°. Het gevolg is dat het schilderij bestaat uit twee driehoeken van 30°-60°-90°. De afmeting van het paneel is 242,3 x 137,7 centimeter; Tan hoek = 137,7 : 242,3 = 0,568303 » De hoek is 29,60°. Bij een hoek van 30° is de hoogte van het schilderij 139,9 centimeter, een afwijking van 2,2 centimeter. Dit is de afmeting van de binnenste, brede rand van het paneel !!!