12 14


Deel 1: Het Mysterie van Rennes-le-Château.

Het mooie van een mysterie
is het geheim wat er in verborgen is
en niet de waarheid die het verbergt

Eric-Emmanuel Schmitt (1998)





Samenvatting Deel 1.

Om te beginnen moet ik u het Verhaal vertellen dat de basis vormt van het Mysterie. Hoewel diverse bronnen elkaar tegenspreken volgt hier de algemeen aanvaarde versie.

In 1885 werd Bérenger Saunière pastoor van Rennes-le-Château. Omdat de kerk in een slechte staat verkeerde begon hij na een paar jaar aan een hoognodige restauratie. Tijdens de werkzaamheden vond hij in een pilaar van het altaar een paar documenten. Hierop stonden stambomen en Latijnse bijbelteksten. Deze laatste zouden in 1780 gemaakt zijn door Antoine Bigou, een voorganger van Saunière en destijds persoonlijk kapelaan van de familie Blanchefort, die op het kasteel naast de kerk woonde. Saunière ging met de documenten naar de bisschop van Carcassonne, die hem doorstuurde naar Parijs. Na een paar dagen keerde hij terug, nadat hij bij het Louvre van drie schilderijen kopieën had gekocht.

Terug in Rennes-le-Château veranderde zijn leven compleet. Hij had veel contacten met het buitenland en kreeg regelmatig bezoek van beroemde mensen. Ook bleek hij te beschikken over aanzienlijke sommen geld. Hij ging verder met de restauratie van de kerk, waar hij allerlei vreemde versierselen aanbracht, zoals het beeld van de duivel Asmodeus. En op iedere statie is wel een voorstelling te zien, die afwijkt van de gebruikelijke. Ook het kerkhof kreeg een opknapbeurt. Vele bedenkingen waren er tegen het feit dat hij de inscripties van het graf van Marie de Negri zou hebben vernietigd. Zij was de laatste telg van het geslacht Blanchefort en overleden in 1781. De ontwerper van haar grafsteen was pastoor Antoine Bigou, die ook de maker is van de documenten.

Vanaf 1896 ging Sauniére steeds meer geld uitgeven. Omgerekend in huidige bedragen ging het om miljoenen euros. Hij bouwde een groot huis (de "Villa Béthania"), een bibliotheek (de "Tour Magdala"), liet de weg naar het dorp asfalteren en zorgde voor waterleiding. De nieuwe bisschop van Carcassonne wilde weten waar Saunière zijn geld vandaan haalde, maar deze weigerde om namen te noemen. Daarop werd hij in 1909 geschorst. Hij bleef in het dorp wonen, maar mocht niet meer de missen opdragen.

In 1917 stierf Saunière. Alle bezittingen bleken op naam te staan van zijn huishoudster, Marie Denarnaud. Zij ging wonen in de Villa, die ze in 1946 verkocht aan hotelier Noël Corbu. Zij had hem beloofd het Geheim voor haar dood te vertellen, maar overleed in 1953 plotseling zonder in staat te zijn geweest de waarheid te onthullen. Corbu verdiepte zich in de vreemde geschiedenis van de pastoor en schakelde in 1956 de plaatselijke krant in (zie Bijlage 4.5). Zo kwam het Verhaal voor het eerst in de openbaarheid. Vooral via Henri Lincoln werd het Mysterie van Rennes-le-Château tenslotte wereldwijd bekend. Maar wat is de oplossing? Had Saunière werkelijk een schat gevonden? Of is deze mogelijkheid uit de lucht gegrepen?



Bérenger Saunière

Marie Denarnaud

Pilaar

Watertoren

 


Graf MdeN

Graf Marie de Negri



Deel 1: Het Levensverhaal van Bérenger Saunière.     (complete tekst)

De pastoor om wie het allemaal gaat in "Le Trésor Maudit", het al eerder genoemde boekje dat door Henri Lincoln was gekocht, is Bérenger Saunière. Over zijn leven is veel geschreven, maar van diverse verhalen is het moeilijk om te achterhalen of ze nu wel of niet op waarheid berusten. Veel schrijvers spreken elkaar regelmatig tegen, waardoor het een probleem wordt te bepalen wat er nou echt gebeurd is. De (bouw)resultaten van zijn werk in het dorp, de vele foto’s die er van hem zijn gemaakt en de feiten die zijn opgedoken in de diverse archieven kunnen als goede bronnen beschouwd worden. Andere bronnen, die subjectiever zijn en daardoor misschien minder betrouwbaar, zijn de verhalen van tijdsgenoten en van de bewoners van het dorp. Als laatste bron van informatie kunnen publicaties, zoals bovengenoemd boekje van Gérard de Sède, genoemd worden. Over wie (of wat) er nu precies verantwoordelijk is voor deze laatste bron, vertel ik u later meer. Afgezien van de (on)betrouwbaarheid van de diverse bronnen zal ik u het Verhaal vertellen zoals het in grote lijnen algemeen aanvaard is.

Bérenger Saunière werd op 11 april 1852 geboren in Montazel, een dorpje vlak bij Rennes-le-Château. Na zijn studie aan het seminarie van Carcassonne werd hij in 1879 tot priester gewijd. Na drie jaar als kapelaan in Alet-les-Bains te hebben gewerkt werd hij in 1882 aangesteld als pastoor van het dorpje Le Clat. Vanaf 1 juni 1885 bekleedde hij diezelfde functie in Rennes-le-Château. Omdat hij later dat jaar tijdens een preek een anti-republikeins pamflet voorlas, diende een toehoorder een klacht in en werd hij uit zijn ambt gezet. Een jaar lang werkte hij als leraar op het seminarie van Narbonne, terwijl zijn kerkelijke uitkering van 450 FF per jaar werd stopgezet. Per 1 juli 1886 werd hij opnieuw benoemd tot pastoor van Rennes-le-Château. Nu was het kerkje van dit dorp al zeer oud. Het was in 771 gebouwd op de fundamenten van een gebouw van de Visigoten uit de zesde eeuw. In 1059 was het gewijd aan Maria Magdalena. Nadat het gebouw door plunderingen vervallen was, werd het in de vijftiende eeuw opnieuw gerestaureerd. Tegen de tijd dat Saunière pastoor werd, was de kerk opnieuw in slechte staat. Vandaar dat hij in 1887 begon met een hoognodige restauratie. Deze was mogelijk geworden door een schenking van 3000 Frank van de gravin van Chambord, een dochter van Frans IV van Habsburg. Haar man, de graaf van Chambord, maakte tot zijn dood in 1885 aanspraak op de kroon van Frankrijk. Hij zou geregeerd hebben als Hendrik V. Tijdens de werkzaamheden aan de kerk werd in 1891 een vijftal perkamenten gevonden, naar men zegt in een van de pilaren waarop het altaar rustte. Twee perkamenten zouden stambomen bevatten, één uit 1244 met het zegel van Blanche de Castille en één uit 1608, samengesteld door François –Pierre d’Hautpoul. Op het derde perkament zou het testament van Henri d’Hautpoul uit 1695 staan. De laatste twee perkamenten zijn documenten met Latijnse bijbelteksten. Sommige bronnen vermelden dat er slechts vier perkamenten gevonden zouden zijn. Het verschil wordt verklaard door het feit dat de laatstgenoemde twee documenten oorspronkelijk op één perkament geschreven waren: één document op de voorkant en één op de achterkant. De ontwerper van deze documenten was, naar men zegt, Antoine Bigou, die ze in 1780 had vervaardigd. Bigou was destijds pastoor van Rennes-le-Château en bovendien de persoonlijke kapelaan van de adellijke familie Blanchefort, die op het kasteel woonde. Bij het uitbreken van de Franse Revolutie in 1789 verstopte Bigou de perkamenten in de kerk en vluchtte naar Spanje.

In 1892 ging Saunière, waarschijnlijk op aanraden van bisschop Billard van Carcassonne, naar het seminarie van St.Sulpice in Parijs om de documenten te laten onderzoeken. Hoewel deze reis naar Parijs vaak wordt ontkend, is zijn naam in het register van de missen uit die tijd terug te vinden. Het schijnt dat hij daar contact had met een groep mensen die zich met esoterie en occultisme bezig hield. Onder hen bevonden zich de componist Claude Debussy en de destijds beroemde operazangeres Emma Calvet (die zich later overigens Calvé noemde). In deze kringen verkeerden ook de student theologie Emile Hoffet en Joseph Péladan. Deze laatste had in 1890 de "Orde van het Katholieke Rozekruis, de Tempel en de Graal" opgericht. Het verhaal gaat dat Saunière, voordat hij na een dag of vijf weer naar huis ging, bij het Louvre reproducties kocht van drie schilderijen, o.a. van Poussin en Teniers. Terug in Rennes-le-Château ontwikkelde zijn leven zich in bijzondere mate. Hij begon een uitgebreide correspondentie met mensen uit diverse landen. En regelmatig kreeg hij bezoek van beroemdheden zoals genoemde Emma Calvé, van de Franse minister van cultuur en van de aartshertog Johan van Habsburg. Natuurlijk ging hij ook verder met de restauratie van de kerk. Hier bracht hij vele opmerkelijke versierselen aan, zoals het genoemde beeld van Asmodeus en een kruiswegstatie met allerlei vreemde afwijkende voorstellingen. Boven de ingang van de kerk plaatste hij de weinig uitnodigende tekst: "Terribilis est locus iste", "Deze plaats is verschrikkelijk". Ook op andere plaatsen zijn vreemde inscripties en onoplosbare afkortingen te vinden. In zijn vrije tijd maakte hij lange wandelingen met zijn huishoudster Marie Denarnaud. Naar eigen zeggen om stenen te verzamelen. Een aantal daarvan heeft hij gebruikt voor een tweetal grotten in de tuin naast het kerkhof, waarvan de reproducties te bezichtigen zijn.

Ook het kerkhof kreeg een opknapbeurt. De indeling werd veranderd en een aantal graven werd verplaatst. Eén en ander riep wel veel vraagtekens op. Vooral het feit dat hij de inscripties zou hebben vernietigd van het graf van Marie de Negri. Zij was de laatste telg van het geslacht Blanchefort en was in 1781 op 17 januari, de feestdag van St.Sulpice en van St.Antonius, overleden. Zij werd begraven op het kerkhof van Rennes-le-Château. De ontwerper van haar grafstenen was, net als van de documenten, pastoor Antoine Bigou. Vooral vanaf 1896 begon Saunière veel geld uit te geven. Hij kocht stukken grond in het dorp, en liet diverse bouwwerken maken en parken aanleggen. Tegenover de pastorie kwam een groot vrijstaand huis, de "Villa Béthania", genoemd naar de plaats waar Lazarus woonde en waar Maria Magdalena de voeten van Jezus waste. (In het kerkje is in een van de ramen dit tafereel afgebeeld.) Overigens bleef Saunière zelf in de pastorie wonen en gebruikte de Villa voor zijn gasten. De tuin tegenover de Villa voorzag hij van een grote ronde vijver. Aan de rand van het dorp liet hij een kasteelachtige toren bouwen, de "Tour Magdala". Hier richtte hij later zijn bibliotheek in. Vanaf deze toren liep een belvédère naar een grote glazen kas, de "Tour en Verre". Voor het geheel kwam een park. Ook de bewoners van Rennes-le-Château werden niet vergeten. Zo liet hij de weg naar het dorp asfalteren en bouwde hij een watertoren zodat een ieder over waterleiding beschikte.

Geld was er blijkbaar genoeg. Mgr. Beauséjour, de opvolger van bisschop Billard, wilde graag weten waar Saunière het geld vandaan haalde en verdacht hem ervan dat hij van zijn kerkdiensten een handel had gemaakt. Het antwoord was dat de inkomsten afkomstig waren van de collectes en van diverse schenkingen. De bisschop nam hier geen genoegen mee, vooral niet omdat Saunière weigerde om de namen van zijn donateurs te noemen. Op het verzoek om een overzicht van de uitgaven voor de bouwwerkzaamheden en de restauraties te geven werd door Saunière een lijst ingediend met dermate hoge bedragen dat Beauséjour zich waarschijnlijk misleid en geminacht voelde. Daarom werd hij vanaf 1909 uit zijn ambt gezet. Hoewel zijn advocaat, Huguet, zelfs in Rome nog geprobeerd heeft om de zaak te verdedigen (op kosten van Saunière), is de schorsing nooit meer ongedaan gemaakt. Hij bleef wel in het dorp wonen maar moest zijn functies aan een ander overlaten. Op 17 januari (!) 1917 werd Saunière getroffen door een beroerte. Het schijnt dat zijn huishoudster vijf dagen daarvoor een doodskist voor hem had besteld. Een priester die was gekomen om de laatste sacramenten toe te dienen, weigerde dit te doen, nadat hij de biecht had gehoord. Op 22 januari stierf Saunière. Dorpsbewoners vertelden later dat de priester, voordat hij op het kerkhof van Rennes-le-Château werd begraven, op een stoel bij de Tour Magdala werd gezet met een kleed om zich heen met allerlei kwastjes er aan. De dorpelingen liepen één voor één langs hem heen en namen een kwastje mee. Zo is het leven van Bérenger Saunière tot het laatste toe niet het leven geweest van een doorsnee pastoor.

Na zijn dood bleek dat alles op naam stond van zijn huishoudster, Marie Denarnaud. Zij leefde al vanaf 1890 bij hem in de pastorie, maar verhuisde nu naar de Villa Béthania. Ook over Marie doen vreemde verhalen de ronde. Zo zou zij een keer gezegd hebben dat "de inwoners van Rennes-le-Château op goud lopen, zonder het te weten". En dat "Saunière genoeg geld had om het dorp honderd jaar lang rijk te houden en dan was het nog niet op". Ook gaat het verhaal dat men haar, toen er in 1946 in Frankrijk nieuwe bankbiljetten ingevoerd werden, grote stapels geld had zien verbranden. Waarschijnlijk was zij hierdoor gedwongen om de Villa te verkopen. De nieuwe eigenaar werd Noël Corbu. Marie mocht van hem in de Villa blijven wonen, en leidde een sober leven. Ze had aan Corbu beloofd hem voor haar dood het geheim te onthullen. Echter, op 29 januari 1953 kreeg zij een beroerte waardoor zij verlamd raakte en niet meer kon praten. Kort daarna stierf zij en nam het geheim mee in haar graf. Ze werd begraven op het kerkhof van Rennes-le-Château, naast Saunière.

In 1954 startte Noël Corbu in Rennes-le-Château het hotel "La Tour". In zijn vrije tijd ging hij zich bezig houden met het ontrafelen van het Mysterie. In 1956 schakelde hij de plaatselijke krant "La Dépêche du Midi" in en schreef artikelen over het geheim van de pastoor (zie Bijlage 4.5). Op deze wijze kwam het verhaal voor het eerst in de openbaarheid. Pas met het uitzenden van de documentaires van Henri Lincoln en vooral met het verschijnen van zijn boek "Het Heilige Bloed en de Heilige Graal" in 1982, maakte het grote publiek kennis met het Mysterie van Rennes-le-Château. Een mysterie, waar velen zich sinds die tijd mee bezig houden en waar velen menen een oplossing voor gevonden te hebben.

Maar wat is die oplossing? Heeft Saunière werkelijk een schat gevonden? En is deze mogelijkheid reëel? Om deze vragen te beantwoorden is het nodig om de geschiedenis van Rennes-le-Château en omgeving wat nader te bekijken (Deel 2).